Dag 60-65 (25-30 okt.): Crossing borders!

De baksteenmachine maakt zijn irritante herrie tot zo’n 3 uur ‘s nachts. Niet lang daarna begint een hond vlak bij de auto te blaffen en te huilen alsof hij het einde der tijden aankondigt. Niet even, maar uren lang. Hij houdt pas op als de zon al op is (dag 60 alweer!) en ik niet meer kan slapen.

Na een rustig ontbijtje breek ik mijn kampje op. Stipt op tijd arriveert Mo. Met 2 auto’s rijden we naar de ambassade, zodat ik meteen door kan rijden naar Abu Simbel, mocht ik vandaag mijn visum krijgen.

Bij de ambassade is het vandaag vreselijk druk! Het blijkt dat alle Sudanezen in Egypte vandaag hun paspoort moeten verlengen of iets dergelijks, dus het is een drukte van belang. Geen goed nieuws voor mij, want dat betekent langer wachten. Het eerste uur breng ik door op de stoep voor de deur van de ambassade. Ik lees, heel toepasselijk, de reisgids over Sudan. Dan, ineens, komt de consul naar buiten en begint te klagen over het feit dat ik voor de deur zit. Niet tegen mij, maar tegen zijn ondergeschikten en tegen Mo. Zodra Mo mij vertelt wat er aan de hand is, sta ik dus onmiddellijk op en blijf binnen staan. Gisteren hebben we ook een hele tijd op de stoep gezeten en dat was toen geen probleem…

Na weer een half uur vertelt Mo me dat het visum over een half uur klaar is. We zullen zien… Dan komen er 2 Zweden naar binnen, Klaus en Klaus (ik verzin het niet!). Zij reizen in een omgebouwde Toyota Hilux in dezelfde richting. Mo introduceert zichzelf en helpt de heren op weg. Terwijl we weer naar de wachtkamer zonder stoelen gedirigeerd worden, praten we wat over onze belevenissen tot dusver. Zij hebben hun auto direct van Zweden naar Egypte laten verschepen en hebben in de tussentijd Egypte per trein bekeken. Daarna hebben ze de auto opgehaald en zijn via de Westelijke Woestijn(!) naar het zuiden gereden, waar ze dus net in Aswan aangekomen zijn. Ze laten Mo desgevraagd hun travel permit zien en komen, net als ik, er achter dat die slechts geldig is tot… 27 oktober! Net als ik! Dat gaan ze nooit redden met hun visa-aanvraag. Echter zijn deze heren al zeer ervaren wereldreizigers, dus hun reactie is uiterst cool: ‘Oh, nou, dan fixen we dat eerst even.’

Na ruim 3 uur wachten in totaal en ruim een uur na het beloofde half uur komt eindelijk iemand aanlopen met mijn paspoort. Mijn visum voor Sudan zit er in! Yes! Snel betaal ik Mo voor de overnachtingen en zijn hulp (die biedt hij gratis aan, maar verlangt stiekem wel wat geld ervoor) en rij naar de grote supermarkt waar Judith en Jochen eergistermiddag naartoe geweest zijn. Ik kijk mijn ogen uit! Dit lijkt echt op een supermarkt! Er is zelfs een hele non food sectie met pannen, strijkijzers etc. De slager heeft een tamelijk ruime sortering en er is aardig wat keuze in fruit en groente. Dit is met afstand de grootste supermarkt die ik in Egypte gezien heb (hoewel ik weet dat er nog grotere zijn).

Met veel te veel spullen loop ik terug naar de auto en eet snel een fruitlunch. Dan rij ik weg en zet koers naar Abu Simbel!

Aangekomen bij de oude Aswan dam word ik staande gehouden. De vriendelijke jongeman vraagt me gebarend wat er in de dakkist zit (nagel in mijn doodskist, dat ding!). Ik zeg, te goeder trouw, ‘safari’. Dat begrijpt hij en nadat hij even zijn verveeld voor zich uit kijkende collega aankijkt, laat hij me door.

De politiepost die het begin van de woestijnweg naar Abu Simbel markeert (de enige weg hier naartoe) is normaal gesproken de verzamelplaats voor de konvooi die hier 2x per dag vertrekt van Aswan naar Abu Simbel. Overal word je verteld dat je verplicht bent om een konvooi te nemen, maar tegelijkertijd hoor ik van niemand dat ze zijn tegengehouden bij een poging om de weg te nemen zonder konvooi. De Vosseberg-en is het ook gelukt. Bij hen werd alleen de nummerplaats genoteerd. Bij mij wordt zelfs dat niet gedaan! Ik word gewoon door gewuifd.

De ruim 270km(!) lange woestijnweg naar Abu Simbel is een van de saaiste van Egypte. De woestijn is supervlak en tot de laatste pakweg 100 km is er vrijwel niets te zien. Waarschijnlijk daarom heeft men om de zoveel kilometer ribbels op de weg aangelegd, zodat je weer even wakker geschud wordt. Daarnaast is het uiteraard erg warm, zelfs met het raam open. En dus gebruik ik voor het eerst deze reis mijn 12V ventilator.

Zoals gezegd verschijnen er in de laatste pakweg 100km wel wat interessante dingen langs de weg. Zo is er een groene, kunstmatige oase, aangelegd door de Emiraten en schijnbaar volstrekt verlaten, is er een nieuw aangelegd spookstad van lage flats en een moskee, midden in de woestijn, zonder ook maar een sprietje groen, en zijn er opmerkelijke, natuurlijke steenhopen van een meter of 10 hoog, verspreid over het verder zanderige landschap. Een zandhoosje dwarrelt voor mijn neus over de weg. Een bizar gezicht! Ik zie het als een laagje zand dat over het wegdek heen schuift en er na een paar seconden weer vanaf schuift, alsof het een overstekende slang is.

Langs de weg zie ik verscheidene karkassen van kamelen liggen. Ver weg van alles loopt een man langs de weg te telefoneren alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Een andere man, veel verderop, staat hevig zwaaiend met de armen om de weg. Ik stop, want ik denk dat hij in nood is. De man trekt een vrijwel tandeloze grijns en brabbelt, tussen het herhaaldelijke ‘Allah akbar’ door iets onverstaanbaars. Uit zijn gebaren maak ik echter op dat hij eten wil. Ik geef hem wat sultana’s. Dan wil hij ook nog geld. Dus zeg ik hem gedag en rij door. Ik passeer een Hilux en de bestuurder zwaait me vriendelijk toe en toetert terwijl ik hem passeer. Direct daarna geeft hij gas en rijd mij weer voorbij, opnieuw zwaaiend en toeterend. Voor mijn neus houd hij zijn gas weer in, zodat ik hem weer moet passeren. Uiteraard opnieuw zwaaien en toeteren, maar dan is het afgelopen en kan ik weer doorrijden. Je maakt toch nog wel wat mee, op zo’n saaie woestijnweg!

Aangekomen in Abu Simbel is het al donker. Zodra ik de parkeerplaats van de Abu Simbel tempel oprijd, zie ik de truck van de familie Vosseberg al staan. Ze zitten naast de truck en zwaaien me hartelijk toe. Het weerzien is erg leuk, zelfs al is het nog maar een dag geleden!

Judith is helaas erg ziek (40gr koorts), dus we praten niet lang. Wel blijf ik nog even met Jochen praten. Maar omdat we morgen om 6:30 bij de ferry naar de oostkant van het Nassermeer moeten zijn, maken we het niet laat.

Dag 61… en wat een dag! Vandaag is een dag van nachtmerries. Een HELSE dag. Om 6 uur gaat de wekker en pas ruim 14 uur later zijn we veilig en wel aan de Sudanese kant van de grens.

We staan stipt om 6:30 bij de ingang van de ferry, waar al een aantal vrachtwagens staan opgesteld; de chauffeurs slapen in hun cabine. Om ca. 7:05 gaat het hek open, worden we binnen gelaten en stellen we ons tussen de vrachtwagens op. Een tijd lang lijkt er niets te gebeuren, tot Judith opmerkt dat de chauffeurs naar voren lopen en even later weer terug komen met een papiertje in hun hand. Dus lopen ook wij naar voren en blijkt dat we bij een man moeten betalen. Intussen begint de ferry echter al aan te leggen en zetten de eerste vrachtwagens zich in beweging. We moeten opschieten, want er staan veel vrachtwagens en we MOETEN met deze ferry mee, om vandaag nog de grens over te kunnen komen. Gelukkig werpt Judith zich op om voor ons beide te betalen, terwijl Jochen en ik onze auto’s vast de ferry op rijden. Mijn auto valt in het niet tussen de enorme vrachtwagens. Eéntje heeft een lange oplegger met zulke grote pijpen er op, dat mijn auto er in probleemloos in zou passen. Mijn autootje krijgt dus een plekje aan de zijkant, terwijl de grote jongens zich naast me opstellen.

Om een uur of 8 zet de ferry zich in beweging en genieten we van het prachtige uitzicht op een deel van het Nassermeer dat ik nooit eerder gezien heb. In de verte kan ik nog net een deel van de tempel van Nefertari zien liggen. De chauffeurs zijn vriendelijke en nieuwsgierige jongens. We beklimmen ook nog even de brug, zodat we een nog veel mooier uitzocht hebben over de omgeving en onze auto’s. Na ongeveer 90 minuten is de aanlegplaats aan de oostzijde in zicht,

Het duurt een tijdje voor ik af kan, omdat de enorme oplegger met de pijpen moeite heeft om het hoogteverschil tussen de ferry en de steiger te overbruggen. Daarna rijden we de 35 km over een nieuwe asfaltweg door het absolute niets. De woestijn is prachtig, maar er is hier echt niets. Deze weg heeft slechts 1 bestemming: de grensovergang met Sudan. Die, en Wadi Halfa (de eerste plaats in Sudan), staan dan ook elke 5 km om beurten aangegeven langs de weg.

Wanneer de grens in zicht komt, krijg ik een kriebel in mijn maag. Ik heb zoveel horrorverhalen gelezen over deze grensovergang, en nu sta ik er voor! Gelukkig niet alleen.

We rijden langs een lange stoet geparkeerde vrachtwagens en zetten de auto’s dan aan de kant. Een behulpzame man vertelt ons dat we een kaartje moeten kopen om binnen te komen. Alsof je een monument bezoekt! Maar we hadden hier vooraf al over gelezen, dus een verrassing is het niet. Het duurt een tijd voor we eindelijk aan de beurt zijn, omdat iedereen voor dringt, en omdat de anderen weten wat ze nodig hebben, hoeveel het kost en er ook in de juiste taal om kunnen vragen, worden zij direct geholpen. Het kaartje bestaat voor mij uit een pak papiertjes met een nietje er doorheen, dat me 127 pond kost. Vier van de papiertjes lijken mij identiek, op een volgnummer na. De familie Vosseberg krijgt daarnaast nog een los papiertje per passagier.

Gewapend met de kaartjes rijden we de poort door. Ziezo, de eerste horde is genomen. Op aanwijzingen van een stel mannen parkeren we de auto’s naast het kantoortje van customs. Daar staat een grote röntgenscanner, die er zeer slecht aan toe is. De bedoeling is dat we al onze tassen door de scanner laten halen. Maar die hebben we niet. Al onze spullen zitten immers in kastjes en kisten. We laten het de man bij de scanner zien, er wordt een man bij gehaald en samen inspecteren ze beide auto’s heel oppervlakkig. Ik hoef zelfs de dakkist niet open te maken! De man die mijn auto checkt is duidelijk gefrustreerd over mijn auto. Hij vraagt me een kist te openen, wat ik met zoveel mogelijk moeite doe. Hij kijkt er even in, verplaatst wat en zegt dan dat het in orde is. Ik krijg een strookje papier in mijn handen gedrukt. Het ziet er niet uit, maar is essentieel om straks de grenspost weer te kunnen verlaten.

Volgende stop: immigration. Dat zit aan de andere kant van het ‘kantorencomplex’. Kwestie van exit formuliertje invullen, inleveren met het paspoort en even wachten tot je het paspoort weer terug krijgt. Kost 10 minuutjes (de familie heeft immers 6 paspoorten), maar dan ben je ook klaar. Tot zover allemaal geen probleem. Daarna lopen we terug naar de andere kant voor het kantoortje waar we de carnet moeten laten stempelen. Dat vinden we op aanwijzingen van opnieuw een behulpzame man. Aan behulpzame mensen is geen gebrek hier, zo zal ook later blijken! Maar helaas zijn ze niet allemaal zo behulpzaam. Want de echte problemen beginnen hier.

Ik kan met de beste wil van de wereld niet meer reconstrueren wat er allemaal gebeurd is op het moment dat we het carnet kantoor betraden, want het is één grote zwarte vlek in mijn geheugen. Wel weet ik nog dat we zeker 5x naar het kantoortje met kopieermachines gestuurd worden, waar we doorgaans niets hoeven te betalen, maar de derde keer ineens 30 pond kwijt zijn. Er staan 4 kopieermachines in het kamertje, waarvan slechts 1 werkt (meestal).

Wat ik echter nooit zal vergeten is wat de carnet-man tegen ons zei aan het begin van deze nachtmerrie: ‘get stamp from traffic.’ We worden op pad gestuurd met een papiertje waar blijkbaar een stempel op moet komen, maar wat we ook proberen, we krijgen die niet! Eerst ontbreekt de omslag, dan weer wat kopieën, dan weer een ander papier, of weer iets heel anders. We worden van hot naar her gestuurd en hoewel omstanders ons soms in de juiste richting wijzen, vertelt niemand ons wat er nu echt van ons verwacht wordt. Na ruim een uur bloedzuigende frustratie worden we het kantoortje van de chief in geleidt. Dat blijkt een hele vriendelijke man in uniform met 3 sterren op beide schouders te zijn. En dan begint het balletje ineens te rollen. We moeten onze auto’s er bij halen, zodat men het chassisnummer kan overnemen op een formuliertje. Dat wordt vervolgens direct gestempeld, naar binnen gebracht, toegevoegd aan een dossier en na opnieuw wat kopieën te hebben moeten maken (in weer een ander kantoortje), krijgen eindelijk de fel begeerde stempel op het papiertje waar deze nachtmerrie mee begon! Een hele stapel papier lichter (zeker 20 A4-tjes) en een stempel rijker lopen we terug naar het carnet kantoor. Trots leveren we het papier in. Natuurlijk moeten we direct weer ergens een kopie van laten maken, maar dan gaat de man toch eindelijk aan de slag met onze carnets. Zeker 2 uur nadat we hier binnen liepen met onze carnets, staan we eindelijk weer buiten met deze oh zo belangrijke documenten.

We denken dat we klaar zijn en kopen even wat te drinken in het kleine restaurantje en gebruiken het toilet. Dan rijden we naar de uitgang van de grenspost, om vervolgens direct aan de kant gezet te worden. We missen een specifiek papier met een stempel! Nee hè?! Niet nóg één! De man, hoe vriendelijk dan ook, is echter onverbiddelijk: zonder dat papier komen we er niet uit. Aanvankelijk lijkt het om hetzelfde papier te gaan als waar we 2 uur mee bezig zijn geweest, want ik heb er toevallig nog een kopie van en daar wijst men telkens op. Er wordt iemand bijgeroepen die 2 woorden Engels meer kan dan hij zelf, en die loopt met ons mee. Eerst terug naar het carnet kantoor en daarna naar het kantoor van de chief. Daarna terug naar het carnet kantoor, waar we het rorigneel van de Vosseberg-en meekrijgen. We maken een kopie, leveren het origineel in en gaan opnieuw naar e uitgang. Mispoes! We hebben een ánder papier nodig! Met stempel, welteverstaan. Weer wordt een jongen opgetrommeld, weer gaan naar het kantoor van de chief en nu wordt er wat gebeld, naar onze carnets gekeken en worden er kopieën gemaakt. Intussen haalt de chief vanuit het niets de juiste papieren naar boven, zet en handtekening en een stempel er op en stuurt ons weer op weg. En jawel hoor, we worden er uit gelaten!!! Om 8:30 kwamen we aan bij deze Egyptische grenspost en we schrijven inmiddels 14:00.

Buiten de poort staan we direct stil. De ca. 100 meter tot aan de grenspost van Sudan staan er alleen maar vrachtwagens, waar we onmogelijk langs komen. Derhalve willen we maar wat gaan lunchen, maar ineens zet de boel zich in beweging en na een half uur hebben we eindelijk de ingang van de Sudanese grenspost bereikt.

We worden geschieden van de stroom vrachtwagens en naar een andere ingang gedirigeerd. Daar worden we echter pas binnen gelaten nadat we onze rijbewijzen en kentekenbewijzen hebben afgegeven en nadat we onze Sudanese visa hebben laten zien. Ook zijn we een aantal minuten onze carnet’s kwijt en moeten we een formuliertje invullen m.b.t. de zgn. ‘alien registration’. Pas nadat we dat afgegeven hebben, mogen we de poort door. Het voelt niet lekker om zulke belangrijke documenten zomaar af te geven, niet wetende wat ze er mee gaan doen en af je ze ooit nog terug ziet. Maar we hebben weinig keuze…

Door de poort heen worden we naar rechts gedirigeerd en parkeren naast een gebouw, waar we naar binnen blijken te moeten. Bij een loket met zowaar de naam ‘New arrivals’ leveren we onze paspoorten in. Na een minuut of 10 krijgen we ze terug met de toegangsstempels op de visa. Die hebben we alvast. We worden naar het loket ernaast gestuurd. Daar krijgen we elk een dubbel formulier met een carbonpapier er tussen. Hierop moeten we onder meer onze bestemming invullen… uuuhhhh. En onze religie, onze sponsor, etc. ik vul maar wat in. Het maakt toch weinig uit. Bij het inleveren mogen we het achterste formulier houden. Daarna wordt ons verteld dat we moeten wachten. Ik had vooraf al gelezen dat een fixer verplicht is bij de grensovergang. En ja hoor, even later staat Mazar voor onze neus, verreweg de bekendste fixer aan deze grens. Zonder dat we hiertoe opdracht hebben gegeven zijn hij en een vriend al bezig met ons papieren. De vriend gaat ons voor naar een kantoortje waar een man met snor in wit uniform papieren ondertekend. Naast hem staat aan de ene kant een kopieermachine die overuren draait en aan de andere kant een metalen kast met misschien wel honderden nummerplaten uit Egypte en Soedan. Belangrijker is echter dat op zijn bureau ook onze kentekenbewijzen en rijbewijzen liggen. Er wordt wat gediscussieerd en dan gaan we (nu met al onze papieren naar een ander anoniem kantoortje (beide in tijdelijke gebouwtjes gehuisvest), waar we na een tijdje wachten een autoverzekering krijgen die ter plekke met een matrixprinter geprint wordt. De kosten zijn vrij aanzienlijk: ruim 50 euro voor en maand voor de Vosseberg-en. Voor mij iets minder.

Daarna gaan we weer terug naar het vorige kantoor en moeten we gaan zitten. De snorreman vraagt waar we vandaan komen. Zijn gezicht betrekt als ik zeg dat ik uit Nederland kom. Hij zegt dat Nederland politiek niet goed is. Ik slik een opmerking over zijn president in en antwoord in plaats daarvan dat ik niet over de politiek in Nederland ga. Intussen wordt er weer een stapel kopieën gemaakt van onze papieren. Eenmaal buiten wordt ons verteld dat we terug naar onze auto’s kunnen gaan en veel geduld moeten hebben. Dat blijkt geen understatement! Uren wachten we. Zonder te weten wat er gebeurt. Er was ons vooraf door andere overlanders aangeraden om alle kosten zelf direct af te rekenen, maar dat gaat niet, want we hebben geen Sudanese ponden. Die had ik in Aswan willen kopen, maar Judith was er van overtuigd dat je hier kon wisselen. Dat blijkt tegen het einde van de dag ook te kunnen. Een man wisselt (zwart) Egyptische ponden voor Sudanese. Ideaal, want ik heb nog heel wat Egyptisch geld. De koers is 1:1 en dat is heel gunstig.

Verder kunnen we alleen maar wachten. Uren lang… Tegen 18 uur heeft vrijwel iedereen de grenspost verlaten, zelfs de 3 grote toerbussen met Sudanezen, behalve wij. Dan komen Mazar en zijn vriend aanlopen. Er worden nog wat papieren ingevuld, waaronder het belangrijke ‘formulier 25’ dat cruciaal is om de auto straks het land weer uit te krijgen. Daarna begint Mazar een heel warrig verhaal tegen ons. Ik moet 5x vragen wat ons nu te doen staat of dat we klaar zijn, voordat ik eindelijk antwoord krijg: we zijn klaar! Dat mag ook wel, want de zon is al onder. Terwijl we staan te discussiëren over de betaling van Mazar en zijn vriend worden we de grenspost uitgeschopt. In het donker rijden we de poort door: we zijn eindelijk officieel in Sudan! Na ruim 9 uur heen en weer rennen, kopietjes maken en eindeloos lang wachten zijn we eindelijk in Sudan!

Mazar biedt aan dat we deze nacht voor zijn huis in Wadi Halfa doorbrengen, daar de woestijn tot Wadi Halfa militair terrein is en je dus weggestuurd kan worden als je er gaat wildkamperen. We zijn te moe om hem tegen te spreken en bovendien is het erg lastig om een geschikte slaapplek te vinden in het aardedonker, dus nemen we het aanbod aan. Mazar rijdt met de fsmilie mee, terwijl zijn vriend naast mij plaatsneemt.

De rit van ca. 30 km is niet zonder gevaren. Niet alleen zijn we vreselijk moe, maar we moeten om de haverklap vrachtwagens passeren. Die hebben doorgaans zoveel lampen rondom dat je helemal verblindt wordt. De weg is prima geasfalteerd maar onverlicht.

Bij Wadi Halfa nemen we een afslag en rijden even later de weg af, het zand in. Even verderop doemen wat huizen op. De eerste is van Mazar. We zetten de auto’s voor de ommuring en lopen de binnenplaats op. Daar worden we hartelijk ontvangen door Mazar’s vrouw, baby en moeder. We moeten plaatsnemen en er wordt even gepraat, waarna Mazar vertrekt met de melding even wat boodschappen te gaan doen en dat hij ‘zo terug is’. Na meer dan 14 uur in touw te zijn geweest zijn we doodop. Een half uur later (zijn vrouw en moeder zijn al lang weg) zijn we het wachten zat, gaan naar buiten en beginnen te koken. Ik houd het heel simpel met een blikje doperwten/worteltjes en en blikje kippensoep. Ik ben veel te moe om te koken en bovendien is het al rond 21:00. Ineens (een uur na vertrek) komt Mazar terug overhandigt me een plastic zak met daarin een gebraden kip. Hij verontschuldigt zich at het er geen 2 zijn, maar meer kon hij niet krijgen. Als hij vooraf gezegd had dat hij eten voor ons ging halen, dan hadden we hem die moeite kunnen besparen! Eindelijk krijgen we nu ook de kans om hem te betalen.

Ik werk nog een tijdje aan mijn verslag, maar sla om een uur of 22 de klep dicht en ga mijn bed in. Doodmoe, maar erg blij dat ik nu toch in Sudan ben! Tevens ben ik erg blij dat ik deze hel niet alleen heb hoeven doorstaan. In mijn eentje had ik waarschijnlijk een zenuwinzinking gekregen of iets dergelijks.

De volgende ochtend (dag 62) word ik blijmoedig wakker. Wauw, ik ben opnieuw in Sudan, maar nu met eigen auto! Vanaf nu kan ik bijna overal wildkamperen zonder telkens tegen gehouden te worden, lastig gevallen te worden of bang te hoeven zijn voor IS-strijders of ruziënde Egyptische families. Bovendien heb ik nu een maand de tijd om door Sudan te reizen: meer dan genoeg en dus kan ik het rustig aan doen. Tegelijkertijd ben ik hier met een leuke familie die ongeveer dezelfde plannen hebben. Zij zijn begrijpelijkerwijs echter lang niet zo geïnteresseerd in de monumenten als ik en ze hebben rekening te houden met 4 jonge kinderen, dus we zullen voorlopig per dag bekijken hoever we samen blijven optrekken.

Om een uur of 8 is iedereen wel wakker en loopt Mazar langs. Hij gaat weer naar de grens en zegt dat als we iets nodig hebben, dat we zijn huis in kunnen gaan. Daar maak ik graag gebruik van, want ik ben door al het gedoe rondom de grensoversteek al 2 dagen niet meer naar de wc geweest en moet verschrikkelijk nodig. Je kan immers niet zomaar een kuiltje graven voor het huis van de buren. Uiteraard is de wc van het Franse type, maar er staat wel een losse toiletstoel. Het is behelpen, maar vooruit.

We worden door de aansloffende moeder van Mazar uitgenodigd voor de thee. Het duurt een tijd voor we daar gebruik van maken, want er moet nog een heleboel gereorganiseerd worden na de chaotische dag van gisteren. Met name de Vosseberg-en hebben hier aardig wat tijd voor nodig, wat mij eindelijk even de kans geeft om me in te lezen op Sudan.

Het water voor de thee zit gelukkig in een thermoskan dus is nog warm als we eenmaal binnen komen. De schoonmoeder hangt hele verhalen op over haar familie, maar het meeste verstaan en begrijpen we niet.

Na de thee rommelen we nog wat verder aan, ontbijten en vergelijken onze reisdocumenten. Hebben we beide dezelfde papieren? Wat hebben we het meest nodig? Waar en wanneer gaan we onze ‘alien registration’ doen? Mazar had gezegd dat het hier in Wadi Halfa wel meer dan een dag kan duren, omdat het een klein kantoor is en de man met de stempel zomaar ineens weg kan zijn. Hij raad ons aan om dit in Khartoum te doen, op het vliegveld. Op het fomulier dat we eerder ingevuld hadden stond dat we ons binnen 3 dagen moeten registreren, maar volgens Mazar hoeft dat niet.

Zodra we reisklaar zijn nemen we afscheid van Mazar’s uiterst gastvrije familie. Judith geeft zijn vrouw een fles lotion voor de baby en ik geef ze een sleutelhanger met klompjes. Er worden heel wat dank-je-wel’s naar elkaar gesmeten terwijl we de auto’s instappen en rijden zwaaiend de zandstraat uit en de asfaltweg op. Jochen heeft 2 walkietalkies, die we nu mooi kunnen gebruiken om onderweg te overleggen. Mijn passagier voor deze ochtend is Ruben. We rijden naar wat als het goed is het centrum van het stadje is. En inderdaad zien we steeds drukkere straten met steeds meer winkeltjes. Het heeft een Afrikaanse uitstraling. Er zijn vrijwel geen gebouwen van meer dan 1 verdieping, er wordt overal gereden en geparkeerd, de bevolking is overwegend diepzwart en doorgaans worden we vriendelijk toegewuifd en welkom geheten. De auto’s zijn voor zeker 50% van Toyota, waarvan ca. 70% Hilux en 30% LandCruiser. Bijna alle auto’s zijn van het pickup-model.

We parkeren voor wat later het postkantoortje blijkt te zijn. Onze doelen: geld wisselen (of opnemen indien mogelijk), een simkaart kopen voor mij, een simkaart opladen voor de Vosseberg-en (die alle simkaarten van de 4 Wheel Nomads hebben gekregen), water en wat andere boodschappen inslaan en eventueel toch registreren. We lopen langs het immigratiekantoor, maar besluiten ons geluk hier als laatste proberen. Het heeft niet de hoogste prioriteit. Ernaast bevindt zich een Agricultural Bank. Het ziet er niet uit als het soort bank waar je geld kan pinnen of wisselen, dus laten we hem links liggen. We vinden aan het einde van de straat een telecomwinkeltje. De man heeft wel simkaarten, maar spreekt geen woord Engels, dus het is verschrikkelijk lastig om duidelijk te maken wat we precies willen. Er zijn nog veel meer telecomwinkeltjes, dus we geven het hier op.

Een eindje verderop staat een soort telefooncel waar in een man allerlei kleine waren verkoopt: tandenborstels, scheermesjes, wierook, sigaretten, pennen, telefoonkaarten, etc. De man spreekt een klein beetje Engels; genoeg om ons te helpen. Het kost wat tijd en moeite, maar dan heeft Judith weer internettegoed op haar telefoon. Vreemd is dat ze voor 1GB betaald, maar slechts 500MB krijgt, die zelfs maar voor 1 week geldig is, maar de discussie hierover met de verkoper loopt vast, dus besluit Judith om het er voorlopig maar bij te laten. Intussen staan er een heleboel mensen om ons heen. Sommigen zijn wachtende klanten, sommigen gewoon nieuwsgierig wat die bleekscheten hier doen. Voordat ik mijn geluk beproef voor een nieuw sim kaartje kopen we eerst even wat drinken in een winkeltje vlakbij.

We splitsen ons op: ik ga terug naar de man in de ‘telefooncel’, Judith en Jochen gaan op zoek naar water en wat andere boodschappen en de kinderen wachten bij mij in de schaduw. Het valt mee: binnen 10 minuten heb ik een sim kaartje met 1GB internettegoed, geldig voor 1 maand. De kosten: 10 pond voor het kaartje, 60 pond voor het tegoed (1 pond is ongeveer 0,15 Eurocent). De verbinding is erg slecht en valt vaak uit, maar het is beter dan niets!

Intussen zijn Jochen en Judith eveneens geslaagd in hun missie: ze hebben een soort groothandel ontdekt, met pallets vol meel, water, frisdrank en enkele andere levensmiddelen. Ook hebben ze voor een appel en een ei brood op de kop getikt. Er zitten wat vliegen en zand tussen, maar ze zijn nog warm en blijken prima te smaken. We komen later met de auto’s terug bij de ‘groothandel’, zodat we niet zover hoeven te sjouwen met het water. Met name de familie wil groot inslaan.

Volgens de winkelier heeft de bank die we eerder zagen wel degelijk een pinautomaat, dus lopen we hier naar terug. Het klopt, maar het automaat is helaas alleen geschikt voor Sudanese passen. Op straat komen we echter toevallig Magdi tegen, een collega van Mazar. Hij heeft een grote tas VOL met geld en biedt een zeer gunstige koers. De dollars gaan wel hard zo, maar dat is niet erg; we hebben nu als het goed is tenminste genoeg geld om het uit te zingen tot Khartoum.

Magdi biedt tevens aan om de ‘alien registration’ voor ons te regelen. Magdi staat bij andere overlanders goed bekend dus we vertrouwen hem onze paspoorten toe, geven hem kopieën en pasfoto’s en hij gaat aan de slag. Intussen verplaatsen wij de auto’s en lopen terug naar de ‘groothandel’. De eerder vernomen prijs van 20 pond voor een vat water van 19 liter blijkt op een tray met flessen water te slaan. De vaten kosten 60 pond, wat behoorlijk prijzig is. Gek genoeg zijn de flessen dus goedkoper (ca. 2 pond per liter, tegen 3 pond per liter voor de vaten) en kopen we die maar.

We zijn verder klaar hier, dus staat ons niets anders te doen dan wachten op Magdi en onze paspoorten. In de schaduw van de Vosseberg-truck eten we een heerlijke tomatencrèmesoep die Judith gekookt heeft.

Midden op straat, naast een grote, groene truck met raampjes zitten 7 bleke mensen met blond haar op campingstoelen soep te eten; het moet voor de bewoners van Wadi Halfa een bijzonder gezicht zijn! We worden dan ook door iedereen aangekeken. Maar de enige mensen die ons aanspreken heten ons welkom, vragen ons of we hulp nodig hebben of nodigen ons uit voor het en of het ander.

Op iOverlander heb ik een wildkampeerplek gezien op hemelsbreed nog geen kilometer hier vandaan. Omdat we niet weten hoe lang we hier nog moeten wachten, ga ik vast een kijkje nemen. Mocht het al donker zijn voor we weg kunnen (het is al rond 15 uur), dan kunnen we daar een nachtje blijven staan. Hannah loopt met me mee. We nemen een afslag en na een paar honderd meter staan we buiten het stadje. Een kilometer verderop komt staan we op de beoogde plek, in de buurt van de Nijl. Het is wijds, licht begroeid en rustig. Maar er lopen ook 4 honden rond en overal ligt afval. Niet zo idyllisch als de beschrijving deed vermoeden, maar wel geschikt om te staan als het al donker is.

Niet lang nadat we terug zijn bij de auto’s komt Magdi echter al aan lopen met onze paspoorten. Alles is geregeld. We betalen hem 30 dollar per persoon voor de registratie en zijn hulp. We kunnen weer op weg! De rijrichting is niet moeilijk, want er is maar 1 asfaltweg naar het zuiden. Die zoeken we dus op en rijden door de prachtige Sudanese woestijn. Naast me zit opnieuw Ruben. Er zijn regelmatig autosporen die van het asfalt afgaan. Na 1 à 1,5 uur slaat de truck af op één van die tracks. Nu begint de lol! Na zo’n 100 meter zit ik vast in het zand. Niet zo gek, want ik rij nog niet in 4×4. Via de walkie talkie breng ik de truck op de hoogte, die inmiddels al een eind verderop zijn (zij hebben automatische 4×4). Ik schakel mijn vrijloopnaven in en zet de auto in 4×4. Probleemloos rij ik weer vooruit. Judith en wat kinderen zijn intussen alvast vooruit gelopen om het terrein te verkennen en een geschikt kampeerplekje te vinden.

Het kost wat tijd en overleg, en ik moet een aantal keer heen en weer rijden om de begaanbaarheid van het terrein te testen (mijn auto is met 3 ton immers een stuk lichter dan de 11 ton zware truck van de Vosseberg-en), maar dan vinden we een prachtig vlak plekje met stenige ondergrond, uit het zicht van de weg. Tijdens mijn hobbelige ritjes heb ik regelmatig een kind naast me zitten, en filmt Hannah het hele tafereel van een afstandje. We hebben nog ongeveer een uur voor zonsondergang, dus we zijn perfect op tijd.

We zetten de auto’s vlak en haaks op de zon, zodat we schaduw hebben. Daarna bekijken we onze papieren nogmaals en maken kopieën met de familieprinter. De kinderen trekken er intussen op uit en verkennen de stenige heuvels. Lea en Hannah vinden elk een mooi plekje op een eigen piek.

Tegen zonsondergang kook ik macaroni, terwijl Judith en Jochen de kip van Mazar proberen te ontleden. We hebben zo weinig vertrouwen in de kwaliteit van de maaltijd, dat er al snel grappen circuleren over de ‘Zombie chicken of Sudan’. Maar het valt mee; de kip blijkt goed dood, goed gaar en goed eetbaar te zijn.

In de avond bekijken we de prachtige sterrenhemel met een duidelijk zichtbare melkweg. Hannah maakt er mooie foto’s van. Ik probeer wat aan mijn verslag te werken, maar de afleidingen van de kinderen en de honderden vliegende insecten maken dit een moeilijke opgave. Er zijn een soort libellen, gewone vliegen, muggen in 3 soorten en maten, en een schier eindeloze stroom piepkleine vliegjes die op bladluizen lijken.

De familie doucht om beurten achter de truck. Dat vind ik na 3 dagen zonder douche ook wel een goed idee, dus zodra zij de deur achter zich dicht trekken, gebruik ik voor het eerst deze reis mijn bushdouche; de dakpijp met de sproeikop werkt uitstekend! Ik gebruik een minimum aan water en wordt toch lekker schoon.

Schoon en opgefrist trek ik de portieren dicht, werk nog even aan mijn verslag en probeer dan te slapen. Het is muisstil en aardedonker. Heerlijk. En toch slaap ik slecht. De volgende ochtend blijkt dat dit ook voor de Vosseberg-en geldt. Misschien zijn we inmiddels gewend geraakt aan de herrie van moskeeën, blaffende honden en baksteenmachines.

Zodra ik op dag 63 mijn auto verlaat loop ik een eindje weg met wc papier en schop. Bij terugkomst zijn de Vosseberg-en ook actief geworden. Hun koelkast is uitgevallen bij gebrek aan stroom, dus is de hele boel onder water komen te staan. Ik gebruik de ochtend om eindelijk mijn verslag bij te werken, terwijl de kinderen huiswerk maken. Rond 11 uur pakken we ons boeltje op en offroaden terug naar de weg. Vandaag heb ik Hannah naast me zitten. Wat een heerlijk uitstapje was dit!

We rijden ongeveer 100 km zuidwaarts en gaan dan de asfaltweg weer af. Onze beoogde bestemming is een bushcamp langs de Nijl, die op iOverlander ‘Palm Trees Camp’ genoemd wordt en omschreven wordt als een plekje waar je heerlijk een paar dagen kunt vertoeven. We moeten verscheidene kilometers rijden over een stenig zandpad, door een eindeloos dorpje met enkel Nubische huizen: een rechthoekige muur om een binnenplaats met langs de muren overdekte ruimtes. De huizen zijn gemaakt van tichelsteen, bedekt met een laag leem die vaak in mooie halve cirkels is afgewerkt. Het ziet er netjes en verzorgd uit. Er is weinig afval te ontdekken en de mensen lopen in mooie, spierwitte galabiyas (soort jurk) met een witte tulband. Hier en daar loopt een ezeltje tussen de groene veldjes en overal staan palmbomen. Het is een plaatje. Maar de wildcamp is niet te bereiken. We hebben de exacte GPS coördinaten, maar er is geen pad naartoe; om er te komen moeten we door zorgvuldig en waarschijnlijk met veel handenarbeid aangelegde landbouwveldjes rijden en dat doen we natuurlijk niet. Daarnaast is het plekje niet, zoals de omschrijving aangeeft, aan de rand van een klein dorpje, maar er middenin. Er spelen kinderen en lopen mannen rond. Dit is geen plek om een paar dagen in alle rust te kamperen. En dus rijden we maar door. Aanvankelijk houden we het zandpad aan in de hoop een ander geschikt plekje te vinden, maar eigenlijk is het tegen beter weten in, want natuurlijk is elke plek langs de smalle vruchtbare strook land langs de Nijl druk bezet met landbouw en huizen.

Een heel hobbelig pad brengt ons terug naar de asfaltweg, die we volgen tot we aan de rand van het stadje Abri zijn. Daar is een tankstation, waar we dankbaar gebruik van maken. Niet dat we in hoge nood zijn, maar zoveel tankstations zijn we nog niet tegen gekomen, dus vullen we hier toch maar bij. De prijs is relatief hoog: zo’n 75 cent per liter.

Bij het tankstation staat een man die zegt de eigenaar van het Nubian Guesthouse te kennen, waar we naar op zoek zijn als alternatief voor een wildkampeerplek. Hij heeft hem ongevraagd gebeld en is onderweg. Enkele minuten later arriveert de eigenaar Magzoub in een kleine, zwarte oldtimer. Hij zegt dat hij even iemand naar het ziekenhuis moet brengen en ons dan voor zal gaan naar zijn guest house. Zo gezegd, zo gedaan en even later rijden we door het stadje. De truck van de familie Vosseberg is doorgaans hoger dan de huizen, dus moeten we soms oppassen voor de tussen de huizen bungelende elektriciteitsdraden.

Het Magzoub Nubian Traditional Guest House is vrij klein. De kleine ruimte achter het hek dat voor de toegangspoort staat is net genoeg voor mijn auto, maar de truck moet er buiten blijven staan. Het vergt wat manoeuvreerwerk, maar dan staan we goed. Magzoub heet ons nogmaals welkom en we krijgen thee geserveerd in de kleine ontvangstruimte direct achter de toegangspoort. Al binnen 10 minuten is duidelijk dat hij alle archeologische opgravingen in de omgeving kent en dus ook weet hoe ik er het beste kan komen. Ik denk dat ik dankbaar gebruik ga maken van die kennis!

Na de thee settelen we ons enigszins, waarbij Magzoub als een soort vlieg om ons heen blijft lopen. Vaak moet ik omkijken als ik eens tap achteruit wil zetten, want de kans is groot dat hij vlak achter me staat. Als ik even later ga zitten onder een afdakje gaat hij naast me zitten en blijft praten. Hij is erg gastvrij, maar wel wat opdringerig. Wanneer ik naar de prijs voor de overnachtingen informeer krijg ik als antwoord dat ik dat zelf mag bepalen. Daar heb ik een hekel aan, want hoe moet ik nou weten wat een fatsoenlijke prijs is? Als ik mijn twijfels kenbaar maak, wordt hij licht geïrriteerd en zegt hij dat hij het zelfs goed vind als ik helemaal niets betaal. Uiteraard zeg ik direct dat dat geen optie is voor mij, maar we komen er niet uit wat ik dan wel zou moeten betalen. Met een houding van ‘bekijk het maar’ loopt hij weg. Daar moeten we dus nog maar eens op terug komen…

De rest van de middag lees ik in mijn reisgids, praat met Magzoub, internet wat en eet een zeer late lunch. In de avond eet ik het restant van de macaroni van gisteren. We eten min of meer gezamenlijk, maar het valt niet mee om het eten tegelijk klaar te hebben, dus er zit wel een discrepantie in. Bovendien is Jochen tamelijk ziek en voelt Lea zich ook niet goed, dus kookt Judith iets simpels. Magzoub vergezelt ons de hele avond, dus wordt er vooral gepraat. Om een uur of 22 trek ik me terug in de auto. Wifi is hier absoluut niet en 3G is heel erg traag, dus ben ik blij als ik er (gek genoeg in de auto) een paar appjes door krijg om Reza te feliciteren met haar verjaardag.

Het sanitair is nog slechter dan in Adam’s Home in Aswan; er zijn alleen maar Franse toiletten en er is geen warm water. Het water is trouwens bruin en komt waarschijnlijk direct uit de Nijl. Als ik me onder de douche waag in de ochtend van dag 64 tref ik enkel een heel dun, koud straaltje aan, dat er ook nog af en toe mee uit scheid. Ik kan er wel om lachen; dit hoort er allemaal bij! Jammer is wel dat de straal ineens aanzienlijk in kracht toeneemt tegen de tijd dat ik klaar ben. Pas veel later verneem ik en passant dat je eerst de waterpomp aan moet zetten voor je gaat douchen. De deur kan niet op slot, dus je moet goed opletten voor je één van de drie douche/toiletdeuren opent.

Het is Marie’s achtste verjaardag dus pakt Judith groots uit: ze bakt 2 broden en een taart, de tafel wordt versierd en er verschijnen 4 kleine cadeautjes. Er wordt een soort familieliedje gezongen wanneer Marie plaats neemt aan de ontbijttafel. Normaal moet ze nu de 8 kaarsjes voor haar neus uitblazen, maar dat heeft de wind al voor haar gedaan. Helaas kan Jochen er niet bij zijn, want de automonteur die Magzoub gebeld heeft voor de rammelende remmen van hun truck is gearriveerd.

Na dit feestelijke ontbijt (ik krijg ook een sneetje van het heerlijk verse gemberbrood; het eerste verse, knapperige brood in anderhalve maand) belt Magzoub op mijn verzoek en man die mij naar Amara en het Sai eiland wil varen. Terwijl ik daar op wacht deelt Magzoub me mede dat dit geintje me 500 pond (ca. 75 euro!) gaat kosten. Dat is veel te veel voor mij, maar lager dan 400 pond kom ik niet uit. Zodra de bootkapitein gearriveerd is wordt er naar mijn idee een act gespeeld waarbij de kapitein boos weg loopt vanwege de lagere prijs, waarna Magzoub een andere man belt die het wel voor de geld wil doen, waarna de eerste kapitein het ineens toch wil doen voor dat geld. Ik weet niet meer wat ik moet geloven, maar ik heb intussen wel besloten dat ik het wel ga doen. Ik wil deze sites graag zien en je kan er alleen komen met een bootje, dus ik heb niet heel veel keuze.

Tegen 10 uur varen we weg in een roze motorboot met een soort smalle stalen railing als zitbankje. De man spreekt niet één woord Engels, dus het is een rustig tochtje. Voor we bij Amara aankomen maken we eerst nog 2 stops om spullen af te leveren aan mensen die op een eiland aan het werk zijn. De aanlegplek voor Amara is bijna onzichtbaar als je het bestaan er van niet kent. De oevers zijn hier overal aan beide kanten hoog, steil en begroeid met dik struikgewas en palmen. Een kleine opening tussen het struikgewas blijkt toegang tot Amara te verschaffen. Het is een hele steile klim op een helling van los zand en puin, maar eenmaal boven sta je direct in de woestijn. Voor me zie ik een lang, laag hek met in het midden een roestige poort, waar we doorheen lopen. De kapitein loopt direct door naar een wit gebouwtje even verderop, terwijl hij gebaard dat ik hier rond kan kijken, wat ik dan ook doe. Te zien zijn de op het oog schamele resten van een stad uit (onder meer) de faraonische tijd. Geen inscripties, geen afbeeldingen, maar wel veel lage restanten van huizen en van een tempel, hoewel je wel heel goed moet kijken om die te herkennen. Ik heb de site helemaal voor mezelf. Ik zie geen paden of wegen, geen huizen of elektriciteitsmasten. Er is de Nijl, een smal strookje groen en voor de rest woestijn. Wat een ervaring!

Als ik alles wel zo’n beetje gezien heb loop ik naar het witte gebouwtje, waar zowaar een stel informatieborden zijn aangebracht (door het opgravingsteam van het British Museum). Die had ik eigenlijk eerst moeten bekijken, want met name de plattegrond is erg verhelderend. Daarna lopen we weer terug naar de Nijl en varen terug naar Abri, waar de kapitein een snelle lunch scoort. Intussen zoek ik Jochen op, die samen met de monteur druk bezig is met de truck, onder grote belangstelling van zo’n beetje het halve stadje.

Terug op het water varen we door naar het eiland Sai, dat misschien wel het grootste eiland in de Nijl is. Opnieuw moet ik aardig klauteren om de steile helling te trotseren. Bovenaan sta ik vlak voor het opgravingshuis van de Franse expeditie die hier sinds een week aan het werk zijn. Op een afstandje zie ik ze hard aan het werk. Ik concentreer me voorlopig op de restanten van een Ottomaans fort, dat over een Egyptische tempel is gebouwd. Overal liggen steenblokken waar nog sporen van faraonische decoraties op te herkennen zijn. Het uitzicht is geweldig: de oevers van de Nijl zijn groen, hier en daar graast een ezeltje of ligt lekker in de schaduw van een palm, langs kleine akkertjes. Verder is er alleen woestijn, ook op het eiland zelf.

Het is erg warm en ik moet er continue erg in hebben om te drinken, want ik merk dat ik niet 100% meer voel. De zachte wind maakt het iets aangenamer, maar is zo droog dat je ongemerkt uitdroogt.

Aan het begin van mijn verkenningstocht door de ruïnes loop ik ook even langs de gaande opgravingen in de verwachting dat iemand me wel aan zal spreken. Een enkele blanke vent op een eiland in Sudan is immers niet bepaald iets wat ze vaak zullen zien. Maar niemand lijkt me op te merken, dus voel ik me ook niet bezwaard om even toe te kijken en de rest van de site te bekijken. Wanneer ik alles wel zo’n beetje gezien heb wat binnen loopafstand te bereiken is, loop ik opnieuw naar de opgravingen toe Ditmaal zie ik 2 blanke vrouwen richting het opgravingshuis lopen. Ik spreek ze aan, terwijl ze me enigszins verbaast aankijken. Het zijn studenten uit de VS die dit seizoen helpen met de analyse van botten. We praten een tijdje over de site en over mijn reis en nemen afscheid, waarna ik op hun aanwijzingen de Franse opgravingsleider Vincent Francigny opzoek, die tussen de zwarte arbeiders eigenlijk niet te missen is.

Aanvankelijk weet Vincent duidelijk niet goed wat hij met me aan moet: een Europese toerist, zomaar uit het niets? Maar nadat we een tijdje gepraat hebben over deze site, de opgravingen, Sudan en Egypte, nodigt hij me uit voor de lunch. Het is tegen 15 uur, maar vanwege de hitte verdelen ze de maaltijden over 4 momenten, zodat ze vaker uit de zon kunnen zijn en weer op krachten kunnen komen.

Even later loop ik met Vincent van zijn opgravingen van een begraafplaats voor de Meroïtische elite over de restanten van een 4,5 m dikke stadsmuur uit het Nieuwe Rijk naar het opgravingshuis. Daar geeft Vincent me een korte rondleiding. Ze hebben de beschikking over een eigen waterbron, waardoor ze altijd over heerlijk, koel drinkwater beschikken. Wat een luxe! Nadat ik me even opgefrist heb krijg ik in de ruime eetzaal water en even later wordt het eten geserveerd. Het hele (buitenlandse deel van het) team neemt plaats aan de eettafel. Iedereen heeft zijn eigen servet; ik krijg een gast-exemplaar. Er is een heerlijk frisse salade, een schaal met gekruid gehakt en warme pasta. Het smaakt allemaal voortreffelijk. Tijdens het eten wordt me het hemd van het lijf gevraagd over mijn reis en mijn ervaringen met de grensovergang van Egypte naar Sudan. Het is bizar om in zo’n fascinerend gezelschap toch het onderweg van gesprek te zijn!

Ook voor de thee word ik uitgenodigd, maar het is tijd voor mij om te gaan. Vincent spreekt goed Arabisch (hoe woont zo’n 4 jaar in Khartoum) en vind de bootkapitein voor me. Met een grote glimlach op mijn gezicht vaar ik terug naar Abri. Het is een kostbaar tripje geweest, maar een fantastische herinnering.

Terug bij het Guest House betaal ik de kapitein, die er meteen vandoor gaat. Jochen is nog steeds bezig met zijn truck. De wielen zitten er weer onder, maar hij moet de boel schoonspoelen en is een borgringetje kwijt. Het valt niet mee om die te vinden in het natte zand. De remmen zijn provisorisch gerepareerd. Het is afwachten hoe lang de reparatie houdt maar voor nu kan hij in elk geval weer de weg op. Gezien mijn uitstekende tweede lunch houd ik het diner voor vanavond simpel: een lekkere omelet met ui en veel zout en kruiden.

‘s Avonds verwerk ik de honderden foto’s die ik de afgelopen dagen, maar vooral vandaag geschoten heb, en probeer ik aan mijn verslag te werken, maar ik kan me erg moeilijk concentreren. We bespreken ook wat we morgen gaan doen. Het lijkt er op dat onze wegen zich even gaan scheiden. Ik wil graag de ruïnes van Soleb, Sedeinga en Sesibi bezoeken, maar gezien de exorbitante prijs van het boottripje van vandaag wil ik dit niet via Magzoub organiseren. Liever ga ik met eigen auto. Niet alleen is dat waarschijnlijk veel goedkoper, maar ook leuker. De Vooseberg-en hebben vandaag niet veel leuks kunnen doen voor Marie’s verjaardag, door de remmen-reparatie. Dus willen ze dat morgen enigszins inhalen. Ik vertrek dus morgen en rij met een gigantische omweg naar deze sites, terwijl de Vosseberg-en een dagje rust nemen. Met een beetje mazzel treffen we elkaar weer in de buurt van Dongola. Om een uur of 22 breien we een einde aan de avond en trek ik me terug in mijn auto.

Het voelt eng om er weer alleen voor te staan; met dat gevoel word ik wakker op dag 65. Het valt niet altijd mee om ineens de hele dag een familie van 6 om je heen te hebben, maar het zijn leuke mensen, en gezelschap maakt me altijd moediger dan wanneer ik alleen ben. Maar ik moet mijn eigen plan trekken; we hebben nu eenmaal verschillende plannen en omstandigheden, dus een splitsing stond vooraf al vast. Maar dat hoeft zeker niet te betekenen dat we elkaar nooit meer zien! Dat is zo leuk aan deze vorm van reizen: je hoeft niet zo ver vooruit te plannen en kan je plannen meestal aanpassen als dat zo uitkomt.

Vandaag rijd ik eerst ca. 230 km zuidwaarts tot de dichtstbijzijnde brug, in Dongola. Daarna rijd ik weer ca. 200 km noordwaarts aan de westkant van de Nijl om de eerder genoemde sites te bezoeken. Er zijn waarschijnlijk onderweg wel pontjes die voertuigen vervoeren naar de westkant, maar het is uiterst onzeker óf die varen, wáár die varen en wanéér die varen. Ook verneem ik her en der dat de kosten flink op kunnen lopen. Dus neem ik liever de grote omweg en zoek een overnachtingsplek in de buurt van Soleb of Sedeinga, de meest afgelegen site vanaf de brug bezien. Morgen zal ik de sites bezoeken op de weg terug naar Dongola langs de westoever van de Nijl. Tegelijkertijd zal de familie Vosseberg waarschijnlijk de zelfde kant op gaan reizen, maar dan dus langs de oostoever van de Nijl. Met een beetje geluk treffen we elkaar dus morgenavond weer ergens. Tot zover het plan tenminste.

Ik vertrek pas om half 11, want ik heb een hoop op te ruimen en eigenlijk moet ik ook nog wat klusjes doen. Mijn verslag loopt ook achter. Daarnaast is Magzoub met de Vosseberg-en op bezoek bij een school, dus moet ik wachten met vertrekken tot ze terug zijn, zodat ik Magzoub kan betalen. Ik vul de dakpijp zover mogelijk bij (oooh, had ik die vulopening nou maar aan de andere kant van de pijp gemaakt), ruim de tent en al mijn spullen op, zoek me even verloren naar mijn papieren, omdat ik die gisteren weer ergens verstopt had, en als de familie terug is betaal ik Magzoub 70 pond per nacht. Dat lijkt me meer dan genoeg.

Jochen moet hun truck even opzij zetten om mij door te laten en ik moet flink manoeuvreren om door het smalle hek te komen, maar dan rijd ik toch echt weg. Een meter of 50 verderop stop ik weer om wat brood te kopen en een paar kilometer verderop stop ik weer even omdat ik vergeten was de gordijnen weg te halen. Maar dan rij ik. Uren lang.

Ik ben nog geen half uur onderweg als er iets vervelends gebeurd. Ik probeer het fruitontbijt tussen mijn tanden te krijgen met een tandenstoker, maar wanneer ik bij de kiezen rechts onderin ben aangekomen breekt er een stuk kies af! Een flinke hap uit de één na achterste kies is het gevolg en in mijn hand houd ik een flink stuk kies. SHIT!!! Wat een ongelooflijk slechte timing! Net nu ik onderweg ben naar the middle of nowhere en in een land ben waar de gezondheidszorg zowat nog uitgevonden moet worden. Wat nu? Ik heb (nog) geen pijn, dus ik heb geen acuut probleem, maar gevoelig is het wel en zo’n groot gat vraagt om infecties en andere ellende. Na een tijdje wikken en wegen besluit ik om mijn originele plan door te zetten. Ik eet voorlopig wel aan de linkerkant en probeer de rechterkant van mijn mond zo schoon mogelijk te houden. Zolang ik geen pijn heb is er geen nood aan de man. Over een dag of wat ben ik in Khartoum; daar kan ik vast wel een goede tandarts vinden.

Na pakweg 230 km alsmaar rechtdoor bereik ik eindelijk mijn afslag: de Dongola Bridge. Bij de afslag wordt ik nagezwaaid door een politieman (denk ik), maar ik krijg niet de indruk dat hij me staande wilde houden. Toch rijd er even later een politieauto naast me die me aan de kant zet. Ik versta geen woord van de man, maar de boodschap is niettemin helder: ik moet terug naar de politiepost. Dat doe ik dan ook, maar eenmaal daar krijg ik alleen een hand, wordt me gevraagd waar ik heen ga en mag vervolgens doorrijden.

Hoewel Vincent (de Franse opgraver) had gezegd dat er een asfaltweg is aan de westkant, houd ik toch even mijn adem in. Te meer omdat deze weg volgens Magzoub in private handen is en er een hoge tol geëist wordt van de gebruikers. Wanneer ik de afslag op rijd is er de eerste 4 km niets aan de hand, maar dan is er ineens een soort van tolpoort. Voor mij staat een vrachtwagen vol kamelen, dus wordt ik naar de poort in de tegengestelde richting gedirigeerd. Men vraagt opnieuw waar ik naar toe wil gaan, waarna ik gewoon door kan rijden. Zo, nu hoef ik alleen nog maar zo’n 150 km rechtdoor te rijden. Dat kan niet al te moeilijk zijn, toch?

Onderweg zijn verschillende officieus aandoende checkpoints waar niettemin enkele malen om mijn papieren gevraagd wordt. Eén keer lijkt het alsof er een document van me verwacht wordt die ik niet heb, want ik laat alles zien wat ik heb en nog is men niet tevreden. Maar gezien de taalbarrière geeft de man het op en laat me door. Bij een ander checkpoint wordt er aardig goed Engels sprekende man bij gehaald. Hij waarschuwt me om vooral door te rijden naar Soleb, omdat de weg voor ons lang, warm en zonder enige faciliteiten is en dus potentieel gevaarlijk. Ik antwoord dat ik al van plan was om te overnachten in Soleb, waarna hij opgelucht reageert. Daarna mag ik doorrijden.

De weg is inderdaad een opgave! Het asfalt is nagenoeg onberispelijk, hoewel de middenlijn op een gegeven moment op houdt, maar de het landschap is erg monotoon, de temperatuur loopt erg hoog op, er zijn geen truckstops of tankstations en er is bijna geen verkeer. Het voelt alsof ik de poorten van de hel aan het naderen ben. De wind komt van opzij en maakt veel herrie. Het koelt ook nauwelijks af. Toch zet ik onderweg de verwarming aan… Niet omdat ik het koud heb natuurlijk, maar om de motor van mijn arme kanarie enigszins af te koelen. De hitte kan ik nog goed verdragen, maar af en toe moet ik wel vechten de slaap. Eigenlijk zou ik moeten stoppen, maar dat gaat niet, want ik wil niet aankomen in het donker en hier stoppen betekent weg smelten in de zinderende zon. Toch stop ik rond 14:30 even om een broodje met wat kaas weg te werken. Ik eet zoveel mogelijk met links, maar merk tot mijn vreugde dat de rechterkant geen pijn doet bij het eten. Net als ik weer instap om door te rijden komt er een pickup langs rijden die vlak voor me stopt. Een dikke man met een grote grijns komt achter het stuur vandaan, terwijl een magere man verlegen de passagiersdeur opent. Ik krijg uiteraard een hand van beide, wordt welkom geheten in Sudan en er wordt op 3 manieren gevraagd of alles in orde is en of ik echt niets nodig heb. Ik bedank ze hartelijk en ze rijden weer weg.

Verder kom ik vooral vrachtwagens tegen die op eg zijn naar of afkomstig zijn van de zeer recent (ca. 1 maand geleden) geopende landgrens met Egypte aan deze kant van de Nijl. Nu is het zo dat er in Egypte en Sudan bijna geen ‘normale’ vrachtwagen te vinden is, maar wat ik hier tegen kom slaat alles. De ene na de andere vrachtwagen met open laadbak, waar dwars(!) bovenop een stel personenauto’s zijn gezet! Het ziet er levensgevaarlijk uit en ik houd zoveel mogelijk afstand wanneer ik ze passeer. Verder vervoeren de wagens vooral kamelen.

Vlak voor ik de asfaltweg wil verlaten is er opnieuw een checkpoint. Daarna rijd ik het zanderige terrein op. Voor mijn neus zie ik de tempel van Soleb al staan! Ik moet er alleen nog zien te komen. De bandensporen lopen kris kras door elkaar dus het is moeilijk te oordelen wat nu een pad is en wat niet. Een heerlijk hobbelig ritje later sta ik niettemin pal naast de zeer indrukwekkende tempelruïne, die baadt in het licht van de inmiddels laag staande zon. Wauw!!!

Er is geen hek om de tempel en hoewel ik geen geheim maak van mijn aanwezigheid komt niemand naar me toe om entree te innen, dus geniet ik van de best bewaard gebleven tempel in Sudan. Er is wel een vrouw die even om geld komt bedelen, maar verder word ik door niemand gestoord. Wat een verademing.

Wanneer ik klaar ben en me omdraai om naar de auto terug te lopen zie ik er vlak naast een witte Landcruiser staan met ervoor een drietal mensen. Nog voor ik de auto bereik zijn ze alweer weg, maar ik zie de auto even verderop voor de deur van een mooi verzorgd Nubisch huis staan. Na mijn bezoek aan de tempel is het tijd geworden om een slaapplekje te vinden. Er is hier plek zat, ant de huizen staan ver uit elkaar en er is een grote strook zandgrond tot aan de asfaltweg, maar ik twijfel om daar zomaar te gaan staan met de auto en mijn kostje te koken. Ik besluit mijn geluk te beproeven bij het Nubische huis waar de witte auto voor geparkeerd staat. Binnen zie ik tot mijn verbazing een blanke dame staan. Whitney is een Amerikaanse die met haar moeder, Sandra, twee weken door Sudan reist. Ze hebben er een auto met gids en chauffeur voor gehuurd. Whitney is zeer enthousiast over mijn reis en mijn auto. ‘Ooooh wow, that is my dream car!’ zegt ze. Ik geef haar mijn kaartje, en ze beloofd mijn website te bekijken, al zijn het alleen maar de foto’s, want ze kan uiteraard geen Nederlands. Ook later, als ik aan het koken ben, komt ze nog even buurten en praten we over Sudan, reizen en mijn reis in het bijzonder. Ze staat er op dat ik een boek schrijf over mijn reis.

Ik krijg zonder te vragen een kamer toegewezen van het oude, tandeloze en hardhorige baasje dat de eigenaar van dit etablissement moet zijn, waar ik vriendelijk voor bedank. Gelukkig kan de gids van de Amerikaanse dames optreden als tolk, want het mannetje spreekt geen woord Engels. Ik vraag of ik voor de deur in de auto kan slapen. Dat mag en is kosteloos. Ook blijkt het bezoek aan de tempel gratis te zijn.

Terwijl ik probeer even uit te rusten in de schaduw van mijn auto word ik belaagd door 3 kleine jochies die niet van mijn zijde wijken. Ik probeer ze van alles om van ze af te komen: vriendelijk lachen, geduldig zijn, compleet negeren, maar niets lijkt te werken. Nou ja, het hoort erbij. Intussen gaan de Amerikaanse dames nog even naar de tempel kijken, die bij het licht van de ondergaande zon nog mooier gekleurd moet zijn.

Als diner kook ik een stoofpotje van rijst, paprika, ui en tomaat. Tot een uur of 21 werk ik in het donker aan mijn verslag. Straatverlichting is hier niet. De schaarse voorbijgangers hebben allen een zaklamp. Wel klinkt uit het rieten hutje naast mijn auto een tv. Ik eet deze avond mijn eerste kruidnoten. Jawel, je leest het goed: ik heb kruidnoten!

Ik begon de dag met de inmiddels bijna gebruikelijke angsten van het alleen reizen door een vreemd land, maar die zijn nu weer helemaal weg. Regelmatig probeer ik mezelf er aan te herinneren hoe bijzonder het is dat ik hier met eigen auto helemaal naartoe ben gereden, maar ik kan het nog steeds niet helemaal bevatten. Maar genieten doe ik er wel van!

9 gedachtes aan “Dag 60-65 (25-30 okt.): Crossing borders!

  1. Aart Leegwater

    Hoi Bjorn,

    Geweldig om je reis zo te kunnen meebeleven. Je schrijft echt heel goed en ik kijk er iedere keer weer naar uit om je nieuwe blogs te lezen. Mooi dat de familie Vosseberg dezelfde route als jij blijft volgen, hoewel je zo te lezen ook veel andere leuke mensen tegenkomt.

    Het bezoek aan de sites zonder andere toeristen en ver van de bewoonde wereld moet je wel een beetje het gevoel van een negentiende-eeuwse ontdekkingsreiziger geven.

    Sterkte met je afgebroken kies!

    Groeten, Aart

    1. Bjorn Bericht auteur

      Hoi Aart, echt leuk dat je zo enthousiast meeleest/meeleeft! Inderdaad is Sudan veel ‘maagdelijker’ als het gaat om toerisme, en voel je je dus inderdaad veel meer een ontdekkingsreiziger.

  2. Sandra van der Lee

    Geweldig verslag! ? dat gedoe met de papieren en stempels en zo doet me denken aan een boek van asterix en obelix waar ze ook om een bepaald formulier het hele gebouw doorgestuurd worden? maar jij beleeft het echt! Echt een geweldig avontuur allemaal! Wel heel toevallig dat je in soleb je eerste kruitnoten hebt gegeten… Toen ik in 2011 in Sudan was, was ik op 5 december in soleb en heb hier ook mijn kruitnoten gegeten?? toevallig hè!
    Gaaf dat je ook zoveel mooie en nieuwe dingen hebt gezien!
    Echt genieten deze reis! Met alles. De “problemen” met formulieren en zo maken het het alleen maar leuker op! Maar hoeft idd niet zo lang te duren dat gewacht dat ben ik met je eens?
    Wacht met spanning op het vervolg van je blog en je verdere avonturen…..?

  3. J. Koopmans

    Tjonge jonge Bjorn, wat een avonturen weer! Ik word gekmakend jaloers op zoveel indrukken, kontakten met allerlei mensen, ervaringen enz. enz. Als er minder leuke dingen zich voordoen, bedenk dan maar dat je altijd weer een prachtig verhaal hebt om te vertellen! Ik hoor van allerlei mensen hier dat ze je op de voet volgen met je blog en genieten van je verslagen. Leuk ook je optrekken met die fam. Vosseberg! Ik volg ook hun blog dus geniet ook van hun ervaringen! Ik zag op TJ dat je nu in Khartoum bent dus hopelijk vind je daar een goede tandarts. Sterkte daarmee en geniet verder met volle teugen!

    1. Bjorn Bericht auteur

      Dank je! Ik doe inderdaad enorm veel indrukken op. De blogs van De Vossebergen zijn ook leuk om te volgen. Vooral omdat de kinderen zelf ook blogs bijhouden. Ik ben nu inderdaad in Khartoum en ga als het goed is morgen naar een tandarts.

  4. Antonie van Baarlen

    Bjorn, wat een mooie verhalen weer! Maar ik zou je graag op het hart willen drukken om de dagen te beginnen met een diepe dankbaarheid dat het leven je de mogelijkheid geeft deze reis te maken…ben je ook sneller van je angstgevoelens af. 😉
    Overigens diep respect voor je eerlijkheid!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *