Dag 101-105 (5-9 dec.): Crossen door de Chalbi woestijn langs het Turkana meer

Dag 101. Ik check de spanning van de band die ik gisteren heb laten plakken nog een keertje en ontdek dat deze iets lager is dan gisteren. Ik wijt het echter aan het temperatuurverschil, en besluit er toch mee te gaan rijden. Om 8:30 heb ik alles opgeruimd, ingepakt, betaald en afscheid genomen, en dus is het tijd om te gaan.

Allereerst rijd ik naar de stad om te pinnen en brood te halen. Ditmaal spuugt de ATM wel het gewenste bedrag uit, maar helaas blijkt het winkeltje met het brood nog dicht. Dan maar zonder brood op weg. Eerst 90 km over het prachtige asfalt naar het zuiden. Dan de afslag naar rechts bij Laisamis; een prima grindweg. Onderweg kom ik heel wat mensen in prachtige traditionele kleding tegen. De meeste zwaaien vriendelijk terug; een enkeling bedelt om iets.

Na ca. 50 km kent mijn GPS de naar rechts (noord) afwijkende grindweg niet meer, en stuurt me in plaats daarvan rechtdoor over een dirtroad. Ik besluit daar in mee te gaan, omdat het me een erg mooie weg lijkt en het lijkt directer op mijn doel af te gaan. De eerste kilometers zijn inderdaad erg mooi. Een typisch Afrikaans landschap met rode aarde en veel acaciabomen. Hoewel hobbelig is het pad prima te doen. Dan kom ik uit in een nogal breed uitgemeten dorp: Ngurunit. Tussen de bomen staan hier en daar rondje hutjes en kleine, stenen gebouwtjes. Tussendoor lopen talloze paadjes, en mensen in prachtige uitdossingen. Er wordt vriendelijk gezwaaid en er hangt een hele ontspannen sfeer. Het is lastig om het dorp goed te omschrijven, want het is heel anders dan alle andere dorpen waar ik tot op heden doorheen ben gereden. Het dorp ademt de sfeer van een frontiertown in het wilde westen. Het is wel lastig om het juiste paadje te blijven volgen, want ook mijn GPS kent vele tientallen van de soms bijna parallel lopende paadjes en het is vaak gokken welke je moet hebben. Eén keer neem ik een paadje dat eindigt in een afgrond, waardoor ik hard op de rem moet trappen. Omstanders wijzen me breed glimlachend het juiste pad naar beneden aan en ik bedank ze hartelijk. Ik heb tot dusver al heel wat droge rivierbeddingen doorkruist, maar deze is wel erg breed. Zo breed dat het pad door het losse zand uitgewist is en ik even moet zoeken naar de plek om de oever weer op te komen. Aan de overkant houdt het mooie dorp op en rijd ik even later weer alleen door het schitterende landschap. Mijn lunch gebruik ik op een prachtig plekje onder een breed uitwaaierende acacia. Ik ben op mijn hoede voor wilde dieren (om te spotten en om niet zelf lunch te worden), maar ik geniet enorm van de rust van dit plekje. Het is voor het eerst in lange tijd dat ik weer ergens rustig kan lunchen. En ik blijk goed gekozen te hebben, want een paar kilometer verderop kom ik uit bij de grindweg die ik een stuk voor Ngurunit verlaten had. Hier loopt wel het een en ander aan volk rond (waaronder een vriendelijk zwaaiende man met een grote speer in zijn hand) en zo nu en dan komt er een auto langs.

Bij Ilaut buigt het grindpad plotseling opnieuw af naar noorden. Dit keer blijf ik de weg wel volgen, want het pad rechtdoor ziet er niet erg best uit en wellicht dat het mooie grindpad verderop naar het oosten terugbuigt en me naar South Horr brengt, waar ik heb afgesproken met Andrew en Martine. Maar na 15 km maak ik rechtsomkeer, want ik ben South Horr in noordelijke richting al lang voorbij gereden en de weg blijft maar naar het noorden gaan. Vermoedelijk slaat deze weg het dorpje South Horr over en gaat rechtstreeks naar het windmolenpark bij Loiyangalani.

Terug bij de splitsing kies ik dus alsnog voor het slechtere pad oostwaarts. Er zijn veel wasbord-stukken en andere ongemakken, maar die maken de rit wel leuk. Vlak voor South Horr zie ik voor me ineens een klein vrachtwagentje rijden met een blauw nummerbord en een NL-sticker. Het duurt misschien wel een hele minuut voor het kwartje valt: dit zijn Andrew en Martine! Ik zwaai uit het raam en toeter kort, maar krijg geen reactie. Dan stoppen ze ineens. Ik stap uit en loop naar ze toe. Zelfs op het moment dat ik ze in het Nederlands begroet hebben ze nog niet meteen door dat ik het ben. Ze hebben me dan ook nooit eerder gezien en vroegen zich al af wat die gekke blanke achter hun deed. Maar als ik me voorstel is ook bij hen het kwartje gauw gevallen en word ik hartelijk begroet. Ze stappen uit en we praten eventjes bij. Dan ziet Martine ineens dat mijn linker achterband bijna plat is. Het is de band die gisteren gerepareerd is; blijkbaar is die dus toch nog steeds lek. Onder aandacht van een groepje rustige kinderen en een enkele nieuwsgierige volwassene helpt Andrew me met het verwisselen van het wiel. Als ik het reservewiel van de achterdeur af haal, breekt 1 van de 3 bouten af. Precies degene waar een slotmoer op zit. Die kan ik dus nu weggooien. Maar vervelender is dat ik nu geen wiel meer aan de achterdeur kan bevestigen. Toch weten Andrew en ik het wiel met de lekke band aan de deur te hangen door gebruik te maken van de 2 overgebleven bouten en een spanband. Daarna rijden we rustig het laatste stukje naar het Samburu Sport Complex, waar we kunnen kamperen. We zijn in het begin van het dorp al 2 andere campsites voorbij gereden, wat ik opmerkelijk veel vind voor zo’n afgelegen plaatsje in the middle of nowhere!

Martine blijkt een uitstekend onderhandelaar te zijn, want hoewel men eerst 600 ksh per persoon vraagt voor ons verblijf, weet ze dat terug te onderhandelen naar 500 ksh. De faciliteiten zijn dan ook niet super goed en het door bomen beschutte terreintje bevindt zich vlak naast een stel hutjes vol nieuwsgierige mensen. Nadat Andrew en Martine een mooi, waterpas plekje voor hun oude Volvo hebben gevonden, klappen we de stoelen uit en spenderen de rest van de middag met bijkletsen. Omdat we in tegengestelde richting rijden hebben we elkaar heel wat nuttige informatie te vertellen. Helaas voor hen heb ik mijn Ethiopische sim kaartje al afgestaan aan Andy en Inge, maar ik krijg van Martine en Andrew wel een hele stapel sim kaartjes voor Tanzania, Zambia, Botswana en meer. Daar ben ik echt geweldig blij mee! Ook noteren zij belangrijke of interessante wegen en plekken in Ethiopië en Sudan op basis van mijn ervaringen en doe ik hetzelfde voor de landen ten zuiden en westen van Kenia.

We kletsen tot het donker wordt. Gelukkig hebben Andrew en Martine een kleine diepvries, waar ze een pastamaaltje uit vissen, dat wordt aangevuld met tomaat en spaghetti van mij, om er een maaltijd voor 3 van te maken. Ook in de avond gaan we door met uitwisselen van verhalen en tips, tot het tijd is om te gaan slapen. De generator voor de campingverlichting was om 21:30 al uitgezet, dus hebben we er zelf maar een lampje bij gepakt.

Het toeval wil dat ik geen brood heb en Martine brood over heeft, dus kan ik gelukkig wat sneetjes krijgen voor mijn ontbijt op dag 102. Iets voor 9 uur zijn we alle 3 klaar voor vertrek en rekenen ons verblijf af. Martine en Andrew maken nog even gebruik van de gloednieuwe en goed achter slot en grendel verstopte bezinepomp om wat brandstof in te slaan. We spreken af om niet in colonne te rijden, zodat we niet elkaars stof hoeven te happen en we de tijd kunnen nemen om te stoppen voor bijvoorbeeld een foto. Ik ga voorop, omdat ik met mijn kleinere auto waarschijnlijk sneller zal rijden. Niettemin haalt de oude Volvo me bij iedere fotostop weer in.

Het eerste deel van de weg naar Loiyangalani is een vreselijk heftige wasbordweg. Zo heftig heb ik die nog niet eerder meegemaakt. Alles schud en trilt en ik hoop maar dat alles een beetje op zijn plek is blijven zitten aan het einde van de dag. Maar dan komen we ineens weer uit op de goede grindweg naar het windmolenpark, waar we na een tijdje rijden ook inderdaad op uit komen. Er moeten in totaal zo’n 360 windmolens komen, maar op dit moment zijn dat er waarschijnlijk rond de 100, hier en daar geplaatst op heuveltoppen in rijtjes van 8 of 9. Het geheel bestrijkt een enorm gebied en hoewel de weg dus erg goed is, heeft het landschap en het volk dat hier leeft duidelijk wel te lijden gehad onder dit ambitieuze project. Eenmaal voltooid moet het park aan ongeveer een kwart van alle energiebehoeftes in heel Kenia gaan voldoen.

Aan het einde van het park staat een open slagboom en direct erna houdt de mooie grindweg op en gaat over in een hobbelig rotspad. Na een paar kilometer zien we eindelijk het Turkana meer opdoemen tussen de kale heuvels. Het landschap is namelijk intussen behoorlijk veranderd. Reden we eerst nog vooral door het bos en over savanne, nu is het toch duidelijk dat we ons in een woestijn bevinden. Het Turkana meer wordt dan ook beschouwd als het grootste permanente woestijnmeer ter wereld. Volgens mijn reisgids is het water jadegroen, maar volgens mijn ogen is het water gewoon blauw. Niettemin is het een erg indrukwekkend meer en ik ben ontzettend opgetogen het nu eindelijk eens zelf te kunnen zien. Het klinkt misschien wat banaal, maar sinds ik de film ‘The Constant Gardener’ gezien heb wil ik al naar deze plek toe. En dat is nu gelukt!

Ondanks het woestijnige karakter van het landschap (veel afgeronde zwarte keien en hier en daar een dor struikje) komen we veel geitenherders tegen. Ze dragen grote schijven in hun oren of kettingen tussen neus en beide oren. De vrouwen dragen stapels kralenkettingen om hun nek. Het lijkt wel alsof ze een hele dikke, kleurige sjaal dragen, maar gezien de hoge temperatuur is dat wel uit te sluiten. De meeste mannen en vrouwen hebben een kaal hoofd.

Het stadje Loiyangalani is weer anders dan alle andere plaatsen die ik ooit gezien heb. Eerst rijden we enkele kilometers langs ronde hutjes van takken en felgekleurd dekzeil, waarna we gebouwtjes passeren die zo uit een westernfilm ontsnapt hadden kunnen zijn. De stoffige hoofdstraat is bevolkt met mensen van allerlei pluimage (soms letterlijk). Het is een smeltkroes van alle grote stammen die hier in het noorden van Kenia wonen.

We rijden de Palm Shade Camp op. Terwijl Andrew zijn truck parkeert zie ik iets lekken aan de zijkant. Wat blijkt? Door de heftige wasbordweg vanmorgen zijn de aanhechtingen van hun rechter extra brandstoftank kapot gescheurd, hangt de tank nu scheef en is een brandstofslang losgeraakt. Daar komt nog bij dat ze ook nog een lekke band hebben! Het is pas lunchtijd, maar we gaan hier duidelijk niet meer weg komen vandaag! Gelukkig is het een uitstekende campsite met schone (lauwwarme) douches en toiletten en een prettig grasveldje tussen de doempalmen en de acacia’s.

Benedict, de kalme en gedistingeerde eigenaar van deze keurig verzorgde campsite belt onmiddellijk de lokale lasser op. We zetten de auto’s in het grasveldje neer en Andrew gaat meteen aan de slag met de lekke band. Die is voor de lunch verwisseld. Na de lunch gaat hij aan de slag om de wooncabine te kantelen, wat noodzakelijk is om bij de afgebroken tankbevestigingen te komen. Het is een hele klus om de wooncabine te kantelen en de benzinetank met 2 hi-lifts (1 van mij) op te krikken tot hij weer op de juiste positie hangt. Intussen haal ik de beugel van de achterdeur waar het reservewiel aan dient te hangen. Dankzij de geweldige onderhandelingsvaardigheden van Martine wil de lasser die hun benzinetank gaat bevestigen, zonder extra kosten een nieuwe bout aan mijn reservewielbeugel lassen. De lasser is een hele tijd bezig met de benzinetank, maar levert een goed resultaat op. Daarna is het de beurt aan mijn beugel. Helaas kan hij ook na ruim een uur zoeken in het stadje geen bout met de juiste maat vinden, dus last hij een kleinere bout aan de beugel. Op zich geen ramp, want het reservewiel zit nu in elk geval weer vast, maar mooi en handig is het natuurlijk niet. Daarbij komt dat hij in een poging de oude bout te verwijderen barsten in de beugel geslagen heeft. Die heeft hij weliswaar dichtgelast, maar ideaal is het niet. Ik ga de komende tijd dus op zoek naar een vervangende beugel. Er zijn zo ongelooflijk veel Landcruisers van dit type in Afrika, dat dit volgens mij niet zo’n probleem zou moeten zijn. Al met al zijn we gezamenlijk 3000 ksh (30 euro) kwijt. Die hoge prijs is mede te danken aan het feit dat de elektriciteit voor het lassen werd opgewekt met de dieselgenerator van de campsite, en diesel is duur in deze contreien. Er is geen tankstation binnen een straal van zeker 200 km…

In de middag krijg ik ook kookles van Martine. Meer specifiek: ze leert me hoe ik brooddeeg moet maken. Aan het einde van de middag is het netjes gerezen en gebruiken we het om kleine pizza’s van te maken die we bereiden in hun dutch oven op een kolenvuurtje. Hoewel ik dit zelf nog nooit gedaan heb, heb ik hun ook nog iets kunnen leren, namelijk dat je de pizza het makkelijkst op het deksel kan leggen en dan de pot er bovenop (het geheel op z’n kop zetten dus), zodat je de pizza er veel makkelijker uit kunt krijgen. Het bereiden van de pizza’s in een dutch oven luistert vrij nauw en het valt niet mee om de juiste temperatuur te creëren en te behouden tijdens het bakproces. Het resultaat kan dus zijn dat je een aangebrande pizza hebt met een rauwe bovenlaag, of dat de pizza niet wil garen. Gelukkig valt het bij ons nog wel mee, maar het is al 22:15 als we de laatste pizza soldaat maken.

Als ik ‘s avonds een kop thee wil zetten blijkt dat het pompje van mijn kookstel het niet meer doet. Gelukkig mag ik een pannetje water opwarmen bij Andrew en Martine, maar dit moet ik natuurlijk wel oplossen, want zonder pompje kan ik niet koken. Ik besluit er morgen maar naar te kijken; het is nu toch te donker.

Er staat erg veel wind, maar desondanks blijft het ook ‘s avonds erg warm. In de auto is het al helemaal om te stikken en het valt me dus niet mee om in slaap te komen, terwijl ik drijf in het zweet. Ik krijg weer visioenen van Khartoum!

Dag 103. Ondanks de hitte slaap ik nog best redelijk. Het laatste restje deeg van gisteren bakt Martine op hun kookstel tot een plat broodje waarvan ik een stuk mag hebben. Vers brood! Het pompje van mijn kookstel weet ik gelukkig heel eenvoudig te repareren door hem uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten.

Om 9:15 hebben we Benedict betaald en verlaten we deze campsite, op weg naar het noorden. Onze eerste stop is om de hoek, in het ‘centrum’ van Loiyangalani. Daar heeft Martine een adresje gevonden waar ze benzine vanuit jerrycans verkopen en laat ik me op sleeptouw nemen door een magere man met baard en felgeel hesje om brood te kopen. Trots vertelt hij me dat hij Somaliër is, maar hier al lang woont en maar liefst 5 lokale talen spreekt. In een klein winkeltje word ik onder veel belangstelling naar achteren geloodst waar 2 dames achter tralies zitten. Achter hen staan allerlei producten, zoals zakken meel, grote flessen zonnebloemolie, frisdrank, etc. Het brood is van het fabriekstype en kost 60 ksh per stuk. Ik neem er 1 voor mezelf en 1 voor Andrew en Martine.

Terug bij de auto’s zie ik hoe 20 liter benzine overgeheveld wordt uit een smerige kan naar de tank van de oude Volvo. Intussen staan Andrew en Martine druk te praten met wat locals en zodra ik aan kom lopen word ik ook direct benaderd. De mensen zijn het er allemaal over eens: dit gebied is zo veilig als maar mogelijk is. Er zijn natuurlijk wel meningsverschillen tussen de stammen, maar er wordt ook onderling getrouwd en in Loiyangalani leven alle stammen vredig naast elkaar. Een geruststellende gedachte. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft dit gebied immers oranje gemarkeerd (alleen noodzakelijke reizen).

Nadat de tank gevuld is komen we nog niet zomaar weg. Met name een man met 1 been en 2 krukken kletst ons de oren van de kop, maar allemaal heel vriendelijk. Pas als ik in de auto zit komt de vraag voor pennen of geld. Ik geef het briefje van 100 ksh dat voor dit doel alvast in mijn broekzak had gepropt en daar zijn ze tevreden mee. Martine pakt het slimmer aan en zegt tegen de mannen dat ze hun dag wil zegenen. Eentje is daar heel blij mee; een ander druipt teleurgesteld af. Dit trucje schijnt vaak te werken, dus die onthoud ik!

Niet ver uit Loiyangalani wordt de route heel mooi. Woestijn met veel herders in traditionele kledij en geiten of kamelen. Het rijdt bepaald niet vlot, maar het is allemaal prima te doen. Wel is duidelijk dat als het hier een keer flink geregend heeft, dat je onherroepelijk vast komt te zitten, want we gaan talloze droge rivierbeddingen door. De waarschuwingen vooraf om hier niet te reizen bij verwacht nat weer kloppen dus. Ook zijn er veel stukken met diep, los zand en dus gebruik ik vaak de vierwielaandrijving. De eerste keer dat ik dat doe is wanneer ik ens tukje achteruit heb moeten rijden en naast het spoor ben beland. Maar wat ik ook doe, ik kom er niet uit, zelfs niet met 4WD. De reden dat ik achteruit moest, was omdat Martine en Andrew een pad in waren geslagen waar een vrachtwagen vast zat. Ik was hen achterna gereden, maar gelukkig kwam de vrachtwagen net weer los toen wij aankwamen en dus konden we weer terug naar het pad waar we vandaan kwamen. Nu ik vast zat kwamen de mannen die achterop de truck zaten me tegemoet lopen en beginnen meteen te duwen en te scheppen, maar nog steeds lukt het niet. ‘Front axles,’ zegt 1 van de mannen tegen me en ineens valt het kwartje: ik ben vergeten de vrijloopnaven vast te zetten. Zonder die handeling rijd ik nog steeds in 2WD. Nadat de man de naven vast heeft gezet ben ik in mum van tijd weer los. De mannen zwaaien vriendelijk terwijl ik weg rijd; ze hoeven niets te hebben voor hun hulp. Mogelijk omdat we hen te hulp waren geschoten, maar niettemin toch fijn.

Om 11 uur stop ik bij een punt waar het pad vrij dicht bij de waterkant loopt. Ik wil het Turkana meer nu toch ook eens voelen! En dus lopen we even later langs en door het water. Om ons heen lopen zilverplevieren, aalscholvers met een witte bef en kleine strandlopertjes. Het water is niet zout, ondanks dat ik er een stukje terug flamingo’s in zag staan, en een graad of 20. Als dit meer niet Afrika’s grootste krokodillenpopulatie zou huisvesten, zou het erg aanlokkelijk zijn om hier te gaan zwemmen. Niet dat we krokodillen op dit stukje strand verwachten (de locals lopen hier ook gewoon door het water), maar toch…

Om een uur of 13 rijden we het pad af en koersen naar de waterkant. Daar genieten we rustig van onze lunch, terwijl even verderop een stel vissers hun enorme net uitgooien. Een vrouw met prachtige kralenkettingen, kleurrijke oorringen, een knalrood gewaad en een kaal geschoren hoofd komt nieuwsgierig naar ons toegelopen. Helaas spreekt ze geen Ngels, dus vel verder dan begroeten komen we niet. En passant zien we dat ze een baby op haar rug heeft bengelen.

Om 15 uur stop in een kleine rivierbedding, onder een acacia. Ik heb het eigenlijk wel even gehad met autorijden en vind dit wel een mooie plek om te wildkamperen. In de verte zie ik wat hutjes, maar geen geiten, kamelen of mensen te bekennen. Ik wacht op Andrew en Martine, maar na een half uur zijn ze er nog steeds niet en begin ik me zorgen te maken. Hebben ze ergens een andere afslag genomen? Staan ze wellicht ergens vast in het zand? Of zijn ze gewoon wat rustiger aan gaan doen? Na het half uur besluit ik om terug te rijden. Als ze ergens vast staan dan kan ik immers wellicht helpen en als ze gewoon nog onderweg zijn dan kom ik ze vanzelf tegen. Na nog geen 100 meter rijden zie ik hun wagen opdoemen in de verte. Gelukkig maar. Ik zet de kanarie dus weer onder de boom en wacht tot ze er zijn. Wat blijkt? Ze hebben inderdaad een half uur vast gestaan! Niet vanwege het zand, maar vanwege startproblemen. Andrew heeft het gelukkig zelf kunnen oplossen, maar Martine is toch wel erg blij dat we dit stuk samen reizen.

Het is inmiddels 15:45 en dus besluiten we maar om hier te kamperen. In de 3 kwartier die ik hier nu sta heb ik nog geen mens gezien, dus dat is veelbelovend. Helaas blijkt dat ijdele hoop te zijn, want we hebben nog niet eens onze stoelen uitgeklapt of uit de bosjes komt een man met kalasjnikov aangelopen. Het blijkt een politieagent te zijn uit north Horr, hoewel zijn ID kaartje er wel heel erg amateuristisch uitziet. Hij vraagt om water en Andrew geeft hem een flesje dat hij 2x bijvult. Hij wil ook eten hebben, maar dat doen we niet. Hij gaat nog een tijdje tegen de boomstam aanzitten en vertrekt dan met stille trom.

Even later komen er 2 mooi uitgedoste dames aanlopen. Ze bewegen hun hand naar hun mond ten teken dat e eten of drinken willen, maar ze spreken geen woord Engels. Ze krijgen niets van ons, want ze kwamen direct uit het dorpje verderop lopen en het is even ver lopen naar het meer. Daar is water genoeg (en dat drinken ze normaal gesproken immers ook gewoon). Ze druipen vrij snel af. Weer even later komt een jongen naar ons toe lopen die op de man af zegt ‘give me some water.’ Andrew gaat overstag, maar geeft hem – heel slim – een mok met water, zodat hij niet weer een flesje kwijt is. Als diner kook ik pasta met fijngesneden stukjes Egyptisch ‘hotdogs’. Helaas blijken bijna al mijn uien door de hitte verrot te zijn. Ook is mijn ananas enorm gaan lekken en ruikt het kastje onder mijn bed nog dagenlang erg tropisch.

Tot zonsondergang hebben we erg veel last van vliegen, maar zodra de zon weg is, zijn ook de vliegen weg en hebben we een heerlijke avond.

Om een of andere reden ben ik al om een uur of 3 wakker (dag 104) en kom niet meer in slaap. Misschien is het de warmte, want het is op dat moment nog steeds 36gr. Als ik om 6:30 de auto uit kruip, hoor ik de eerste geiten al naderen en op het moment dat we wegrijden om 7:45 zijn we aan alle kanten omsingelt door geiten en hun nieuwsgierige hoeders. Onvoorstelbaar dat je zo ver in the middle of nowhere geen rust kunt vinden. Aan de andere kant zijn de outfits van deze mensen een lust voor het oog en ze doen geen kwaad.

Gezamenlijk rijden we een kilometer of 60 tot we bij een splitsing komen. Er gaat een weg naar het noorden, met een bord ‘Sibiloi NP’ erbij en er gaat een weg verder naar het oosten. We raadplegen verschillende digitale kaarten (Maps.me, Google Maps, Tracks4Africa, Open Street Maps) en komen tot de conclusie dat de weg naar het noorden waarschijnlijk enkel en alleen naar een toegang tot het park leidt en daar willen we niet naartoe. Martine en Andrew willen weliswaar naar het noorden, maar om het NP heen en ik wil met een oostelijke lus weer terug naar het zuiden. Verderop moet als het goed is nog een soortgelijke splitsing zijn, dus rijden we nog een stukje door over de oostelijke weg. We bevinden ons in een serieuze woestijn. Er is nauwelijks vegetatie en wat er wel is, is dor. Er staat een zeer harde wind die het lichaam schuurt door het zand dat meegevoerd wordt en alles wordt ermee bedekt.

Bij de volgende splitsing, precies op de verwachte locatie, staat een verroeste wegwijzer met aan beide kanten conflicterende informatie. Het doet er niet toe: we weten waar we zijn en waar we naartoe moeten. Dit is het punt waarop onze wegen zich letterlijk en figuurlijk scheiden. We zetten de auto’s zo neer dat we aan de achterkant een beetje luwte van de wind en schaduw van de zon hebben en pakken onze camera’s en laptops erbij om een paar foto’s van ons drieën te maken en alle foto’s van de afgelopen dagen uit te wisselen. Daarna is het iets over 12 uur en plakken we er nog een gezamenlijke lunch aan vast. Maar dan is het toch echt tijd om te gaan. We nemen afscheid. Ik rij naar het oosten en Andrew en Martine naar het noorden.

Ik ben weer alleen. In een grote, lege woestijn. Het landschap is prachtig en de weg (of eigenlijk rotspad/zandpad/track) is erg hobbelig en avontuurlijk, maar prima te doen. Ik rij regelmatig heuvels over die me een schitterend uitzicht bieden over de Chalbi woestijn en het Turkana meer in de verte. Hier, op enige afstand van het meer, zijn er veel minder mensen te vinden en dat vind ik wel zo prettig. Ik heb nog steeds trauma’s van Ethiopië.

De weg is goed te volgen en klopt heel aardig met mijn digitale kaart. Niet alle kaarten zijn helemaal up to date m.b.t. dit gebied, dat is inmiddels wel duidelijk, maar als je ze allemaal raadpleegt, kom je een heel eind. Na pakweg 100 km rijden heb ik al een tijdje niemand meer gezien en profiteer ervan om even uit te rusten onder een grote acacia die zich op zo’n 50 m van het pad bevindt. Heerlijk, wat een rust en stilte. Alleen de niet aflatende harde wind is duidelijk te horen.

Het laatste stukje hebben we gisteren gezamenlijk al gereden in omgekeerde richting, dus dat is bekend terrein. Aangekomen in Loiyangalani moet ik weer even zoeken naar het Palm Shade Camp en is men verbaasd mij weer (zo snel) terug te zien. Ik heb lang nagedacht over de route die ik zou gaan nemen vanaf het moment dat onze wegen zich zouden scheiden. Ruwweg had ik 3 opties: de noordelijke route naar Marsabit, dezelfde route terug naar Laisamis, of de zuidelijke route via Maralal. Er kleven veel voor- en nadelen aan alle opties, maar heb uiteindelijk voor optie 2 gekozen. Teruggaan naar Marsabit betekent wel en mooie, nieuwe route, maar dan kom ik wel erg noordelijk uit en ik wil juist naar het zuiden. De zuidelijke route nemen betekent een erg slechte weg nemen en aangezien ik aardig door mijn voorraden heen ben en wil weer zin heb in wat goede wegen, lijkt de tussenweg de beste optie. In Loiyangalani wil ik een dagje stil staan om even bij te komen met schrijven van dit verslag en wat van de enorme stapel klusjes te doen die ik de laatste maand opgespaard heb.

Nadat ik mijn auto weer op hetzelfde plekje op het gras geparkeerd heb, maak ik kennis met Alfonso, een Italiaan die voor een NGO werkt die waterpompen verzorgd in de omgeving. We praten even kort, waarna hij in overleg gaat. Ook spreek ik kort een Keniaan die dierenarts is en voor een NGO werkt die gratis hulp verleend aan veedieren.

Ik zet mijn bustent op en tegen etenstijd warm ik een restje spaghetti van gisteren op en vul de maaltijd aan met een kop lintle soup uit een pakje (ja ja, die bestaan ook!). Daarna vier ik Sinterklaas nog eens door de film ‘Sint’ te kijken onder het genot van mijn laatste zakje kruidnoten. Het is overdag behoorlijk warm en koelt deze avond nauwelijks af, maar zoals iedere avond aat het wel steeds harder waaien en ‘s nachts lijkt het wel te stormen.

De harde wind houd nog lange tijd aan op de ochtend van dag 105. Vervelender is echter dat ik wederom schuin wakker word. Alweer een lekke band! Dit keer is het de beurt aan de band rechts achter. Na het ontbijt heb ik die dus maar meteen verwijderd, gerepareerd en teruggezet. Dat viel nog niet mee, want de bustent zat natuurlijk aan de auto, dus daar moest ik rekening mee houden, en op de en of andere manier wilde de auto niet netjes op de hi-lift blijven staan, dus heb ik het een aantal keer moeten proberen. Tijdens het repareren heb ik er maar even de lekke band aan de achterdeur onder gelegd, zodat als de auto van de krik zou vallen, dat het dan in elk geval niet catastrofaal zou zijn. Het lek was ook lastig te vinden, omdat het in een dik gedeelte van de band zat (waar ik normaal gesproken niet meteen kijk). Er zat een grote spijker in! Wat een ironie na honderden kilometers over scherpe stenen en nog veel scherpere acaciadoorns te hebben gereden! Omdat het lek in een dik gedeelte zat en de spijker en schuin in zat was het erg lastig om de prop er in te krijgen, maar met veel geweld is het toch gelukt en gelukkig is de band na bijna een week nog steeds hard.

Nadat de auto weer netjes op vier harde banden staan bevestig ik de inmiddels lege dieseljerrycans weer op het dak. Die heb ik voorlopig niet meer nodig, denk ik. Daarna repareer ik twee bevestigingen van de dakpijp. Eentje is losgeschoten maar de ander lijkt te zijn doorgeknaagd. Tot slot zet ik overal weer klittenband vast met lijm; een klusje dat zich elke paar weken lijkt te herhalen. Ik wil ook iets doen aan de enorme laag stof die in de auto ligt, maar besluit daarmee te wachten, omdat ik morgen nog over een hele lange grindweg moet rijden en daar zal ik nog het nodige stof van meenemen. Met mijn verslag loop ik inmiddels vier dagen achter, dus typ ik de rest van de middag totdat ik er in elk geval weer 1 dag van weggewerkt heb.

In het begin van de middag komt Alfonso afscheid nemen. Zijn taak zit er op en hij gaat naar huis. Eerst met het vliegtuig naar Nairobi en dan door naar Italië. Even later hoor ik inderdaad hoe een propellervliegtuig opstijgt van de bijna gelegen airstrip.

Aan het einde van de middag komen er twee motoren aan rijden. Het zijn twee Belgen die op weg zijn van Rwanda naar België. Uiteraard praten we een tijdje en wisselen de nodige ervaringen uit, terwijl ze hun tent op zetten en de was doen.

Het diner heb ik besteld bij de campsite, daar ik nauwelijks meer vers voedsel heb. Voor 5 euro krijg ik vlees, groente en rijst. De groente blijkt alleen uit witte kool te bestaan en het vlees is onvoorstelbaar taai en vet. De helft ervan geef ik aan een bedelende kat. In de avond deel ik nog wat Ethiopië- en Egypte-tips met de Belgen en werk nog wat aan mijn verslag. Ik duik bijtijds mijn nest in. Morgen moet ik immers weer een heel eind rijden.

6 gedachtes aan “Dag 101-105 (5-9 dec.): Crossen door de Chalbi woestijn langs het Turkana meer

  1. Patricia van Baarlen

    ik waan me al helemaal in Afrika… geweldig hoor! leuk ook eens foto’s van de Kanarie in actie te zien. opvallend dat er zo veel kale bomen zijn.

    maarre 30 euro duur? ik had hier laatst de tractor in onderhoud gedaan; kosten bijna 800 euro… da’s pas duur!!

    1. Bjorn Bericht auteur

      Leuk hè? Om de kanarie eens vanaf een ander perspectief te zien? Vond ik ook!
      De bomen zijn zo kaal omdat het droge seizoen op zijn eindje loopt. Het regenseizoen kan elk moment beginnen.

      Voor Afrikaanse begrippen is 30 euro voor wat laswerk erg duur hoor!

  2. J. Koopmans

    Mooi verhaal weer Bjorn. Erg leuk zijn ook al die kontakten met lokale maar ook reizende mensen. Fantastisch die filmpjes. Heb ze allemaal gezien en ervan genoten!

  3. Piet en Ans

    Dag Bjorn,

    Wij genieten iedere keer weer van je mooie en spannende verhalen, prachtige foto’s en films.
    Je maakt zoveel mee, dat wij denken, geweldig omdat allemaal te zien, maar ook, hoe lost hij dat weer op!
    Fijn voor je dat er ook regelmatig mensen zijn om mee op te trekken en elkaar hulp te bieden.
    Wensen je alle goeds op je verdere tocht!
    Groeten van Piet en Ans (Poortmolen)

  4. Aafke Serné

    Beste Bjorn,
    Ik loop een eind achter, maar heb nu deze foto’s en filmpjes bekeken. Geweldig, wat prachtig allemaal, maar ook wat ruig. Ik geniet heel erg van je blog. Wat maak je veel mee en wat zie je prachtige dingen. Ik ga gestaag verder, wie weet haal ik alles nog in voordat je weer thuis bent!!!
    Hartelijke groet en sterkte met alles wat op je pad komt.
    Aafke Serné van de Poortmolen.

    1. Bjorn Bericht auteur

      Beste Aafke, hartelijk dank voor je reactie! Reacties op mijn schrijfsels doen me altijd veel plezier. Dan weet ik tenminste dat ze gelezen worden. 🙂
      Ik heb inderdaad het genoegen gehad om erg veel moois te kunnen zien en zal er zeker nog van blijven genieten zolang het kan!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.