Dag 36-40 (2-6 okt.): De avondspits van Cairo

Mijn darmen houden zich gedurende de nacht vrij rustig, dus ik slaap best. In de ochtend (dag 36) werk ik eerst mijn blog bij, upload de foto’s en besteed wat tijd op Facebook. Ineens krijg ik een bericht van de GPS tracker in mijn auto: hij is aangekomen in Alexandrië! Ik maakte me al een beetje zorgen, want even daarvoor gaf de app nog aan dat hij nog in Izmir, Turkije was. Ik vermoed dat de TrakJack geen signaal kon ontvangen of versturen terwijl hij in de buik van het schip stond. Nu de auto weer op land staat, lukt dat weer wel. Vandaag hoef ik verder niets te verwachten, want vanwege Islamitisch nieuwjaar zijn alle instanties dicht.

Tegen het middaguur zet ik te voet koers naar het Museum of Islamic Arts. Het is vandaag dus Islamitisch nieuwjaar en wat ik al vermoedde blijkt waar: het museum is dicht. Onderweg loop ik nog langs het Abdeen Palace Museum, maar ook dat is gesloten. Dat schiet allemaal niet op. Ik neem aan dat de Faraonische en Koptische monumenten nog wel geopend zijn, maar daar ga ik met Sandra en/of mijn vader al naartoe, dus dat is nu niet echt een optie. Toch besluit ik na lang bladeren in mijn reisgids om maar naar Oud Cairo af te reizen om te zien of de monumenten van Koptisch Cairo echt wel geopend zijn voor het publiek. De Hangende Kerk zou in 2014 heropend zijn na vele jaren van renovatie, maar in Egypte weet je nooit of zo’n opening ook echt betekent dat je er naar toe kunt.

Ik neem de metro en stap voor de deur van de Hangende Kerk uit. Ik ben er nog nooit eerder geweest, maar het ziet er keurig en geopend uit. Er is zelfs best veel publiek op de been. Vooral Egyptenaren, maar ook opvallend veel buitenlandse toeristen. Zelfs op het Tahrir plein heb ik nog bijna geen toerist gezien, maar hier loopt de ene na de andere groep voorbij: Canadezen, heel veel Aziaten, Amerikanen en wat Australiërs. Ik ga de kerk niet in, want dat komt over en week wel, maar ik weet nu in elk geval dat hij open is. Ook de andere monumenten, zoals het Koptisch Museum zijn zo te zien geopend. Bij een restaurantje nuttig in 2 heerlijke lemonjuices, een even heerlijke lentil soup en een minder geslaagde kofta maaltijd. Mijn buik protesteert na afloop en blijft dat de rest van de middag en avond doen.

Om een uur of 3 reken ik al bij de uiterst vriendelijke gastheren. De jongste van de 2 vertelt me vol trots dat hij de beste lentil soup heeft, omdat zijn vrouw die bereid. De oudste van de 2 geeft me wisselgeld, maar zoekt daarbij de schoonste biljetten uit die hij heeft. U moet weten dat Egyptisch geld doorgaans smeriger is dan wc papier.

Dan loop ik richting Rhoda eiland, dat hier vlakbij ligt. Ik ga over een versleten stalen brug met een best mooi houten raamwerk erboven en vind een rustig deel van de stad. Bij Koptisch Cairo waren er ook al weinig auto’s, maar hier op het eiland valt het helemaal mee. Op de zuidpunt van het eiland bevindt zich een nilometer (een meter die de stand van de Nijl aangeeft). Er zijn er veel van in Egypte, want de stand van de Nijl zei (voor de bouw van de stuwdammen) erg veel over de verwachte landbouwopbrengsten. De meeste stammen nog uit de faraonische tijd, maar deze is Ottomaans van oorsprong. De nilometer ligt op het terrein van het Umm Kulthum museum. De mannen bij de ingang zijn met stomheid geslagen hier een Westerse toerist te zien. De man die me het tocket van 15 pond verkoopt vragt me wat ik studeer. Ik antwoord dat ik niest studeer en gewoon toerist ben. Even knippert hij met zijn ogen en wijst me dan de weg naar de nilometer. Het is heerlijk stil op het museumterrein. Je zou hier alleen al naartoe gaan om te ontsnappen aan het drukke Cairo. De nilometer bestaat uit een klein, houten torentje die toegankelijk is middels een trap die afdaalt de grond in. De deur is dicht, maar als ik een tijdje blijf wachten komt er vanzelf een man naar me toe lopen die de deur voor me opent. In de reisgids had ik al gelezen dat je geluk moet hebben dat de sleutelbewaarder in de buurt is en gelukkig heb ik die mazzel, want in het torentje tref ik een indrukwekkend gat in de grond aan met een spiraaltrap langs de wand naar beneden. In het midden een grote zuil en daarboven een houten ligger met Arabische inscripties. Ook het plafond van het torentje is mooi gedecoreerd.

Naast de nilometer bevindt zich nog een kleinere uitvoering die ik ook even bekijk. Daarna loop ik terug naar het vaste land.

De volgende bestemming is Fustat, één van de oudste stadsdelen van Cairo. Je zou kunnen zeggen dat hier de wortels van Cairo liggen. Helaas is er vrijwel niets meer van over. In de vroege Middeleeuwen was het een zeer welvarende stad met waterleidingen en riolering, maar na jaren van verval werd op een gegeven moment besloten om de hele stad te evacueren en in de brand te steken. Naar verluid duurde de brand 55 dagen. Na is het een grote, ommuurde zandvlakte met enkele ondefinieerbare ruïnes. Niettemin wilde ik het wel eens zien, en eveneens het al jaren in aanbouw zijnde Museum of Egyptian Civilization, dat zich hier ook bevind en ooit een grote collectie faraonische oudheden zal tonen, zo is tenminste het plan. Het is een behoorlijke wandeling langs een hele drukke en hele brede weg. Het museum ziet er groots en grijs uit. Alles is grijs. Toegegeven: het is een afwisseling met de zandkleur waar vrijwel heel Cairo uit bestaat, maar erg aantrekkelijk is het (nog) niet.

Ik heb een bloedhekel aan teruglopen, dus besluit ik om om het hele braakliggende terrein van Fustat heen te lopen. Dat kan ik niemand aanraden. Achteraf snap ik eigenlijk niet waarom ik niet gewoon een taxi of een busje genomen heb, want het was een pokke-eind lopen en een aanslag op je longen, neus en ogen. Af en toe leek de weg op één grote colonne van auto’s die continue dikke, zwarte roetwalmen uitblazen. Wie denkt dat de lucht in Downtown Cairo slecht is (ik bijvoorbeeld), is waarschijnlijk nog nooit in Fustat geweest!

Aangekomen bij een metrohalte brengt de metro mij voor één pond (10 cent!) terug naar het hotel. Het is etenstijd, maar ik moet op dit moment niet aan eten denken. Ik koop wat pakjes zuivel in en trek me terug op de kamer. ‘s Avonds eet ik alleen nog wat fruit. Van het feit dat het een feestdag is, is niets te merken buiten.

Vandaag (dag 37) is de eerste werkdag na de vakantie, en dat is wel te merken! Het verkeer is deze ochtend veel drukker dan de laatste dagen. Ik sta rustig op en kom bij het ontbijt zowaar 3 andere hotelgasten tegen. Twee meiden zitten op het balkonnetje te keuvelen en een Australiër kijkt tv. Zodra ik ga zitten vraagt hij me of ik weet of er ook Engelstalige zenders beschikbaar zijn. Ik heb geen flauw idee.

Halverwege de ochtend loop ik dezelfde kant op als gisteren. Hopelijk zijn de musea vandaag wel geopend. De hele dag houd ik mijn telefoon in de gaten voor nieuws over mijn auto. Bij het Abdeen Palace Museum word ik naar de andere kant van het paleis gestuurd voor de bezoekersingang. Dat blijkt nog een flink eind lopen! Ik probeer 3 andere ingangen voor ik de juiste te pakken heb. Hoewel, ook daar word ik weggestuurd, want ik moet aan de overkant van de straat een ticket kopen. De prijs is niet misselijk: €10 (en €1 voor de camera).

Trots keer ik terug bij de ingang met mijn kaartje en leg mijn tassen op de band voor de röntgenscanner. In tegenstelling tot wat in Egypte gebruikelijk is mag ik pas verderop lopen nadat ik de inhoud van mijn tassen uitgebreid heb laten zien, mijn zakmesje en telefoon inlever (daar zit ook een camera op en daar heb ik geen ticket voor) en ik door de metaaldetector kan lopen zonder dat het alarm afgaat.

Dit soort attracties wordt over het algemeen niet vaak bezocht en ik ben dan ook nagenoeg alleen, dus word ik in elke ruimte van het museum letterlijk achtervolgt door een suppoost. Iedere keer dat ik uit beeld dreig te verdwijnen, loopt de jongen achter me aan tot hij me weer in het zicht heeft. Zuchtend en schuifelend blijft hij achter me staan tot ik eindelijk zijn territorium verlaat. Dan wijst hij me waar ik heen moet gaan en fluit me terug als ik ook maar 2 stappen in de verkeerde richting zet. Zo betreed ik het territorium van de volgende jongen, waar het ritueel zich weer herhaald. Het is bepaald niet prettig, maar ik trek me er niets van aan en kijk gewoon rustig rond.

Eén deel van het paleis is ingericht met schijnbaar willekeurig bij elkaar geraapte medailles, wapens en giften van buitenlandse overheden. Daar zitten enkele dure voorwerpen tussen. Een heel ironische gift vind ik een zilveren buste van Ghandi door de overheid van India. Ik denk niet dat Gandhi zelf het daar mee eens zou zijn geweest, maar wie ben ik?

Het grootste deel van het museum bevat wapens. Op de twee binnenplaatsen die de verschillende delen van het voor het publiek toegankelijke deel van het paleis met elkaar verbinden staan ook al allerlei kanonnen opgesteld. Veelal uit de tijd van de stichter van dit paleis: Ismail Pasha. De wapententoonstelling begint met zwaarden en messen. Er liggen enkele Zwitserse zakmessen (van zo’n groot formaat dat ze geen praktisch nut meer hebben) en dolken en messen uit de hele wereld. Opmerkelijk is de collectie dolken uit Nazi Duitsland, waaronder de dolk van veldmaarschalk Rommel. Ook de zwaarden komen uit heel de wereld: samoerai zwaarden uit Japan, krissen uit Azië, kromzwaarden uit Jemen, sabels uit Europa, enz. Veel ervan zijn (deels) van goud en/of zilver en soms ingelegd met diamanten en/of andere edelstenen. Dat geldt ook voor de vuurwapens die hier op volgen. De complete evolutie van het vuurwapen is te volgen: de lange, zware draagbare kanonnen, de lange, dunne geweren met vuursteentjes als ontstekingsmechanisme, handwapens, allerlei (pogingen tot) automatische wapens, maar ook dolken en zwaarden met ingebouwd vuurwapen en een breed scala aan vuurwapens met de meest bizarre vormen. Ook spionagewapens, zoals verborgen pistolen in riemen, pennen en wandelstokken ontbreken niet. Ik heb niet zoveel met wapens, maar deze collectie is zo divers en heeft zoveel kunstig gemaakte voorbeelden dat het erg leuk is om te zien.

Het volgende deel bevat onder meer een juwelenkistje met vier verborgen pistolen die afgaan als er met het slot gerommeld wordt, het borststuk van een harnas met maar liefst 19 pistolen er op gemonteerd, een zwaard van goud dat met zoveel en zulke grote edelstenen is ingelegd dat ik me afvraag of het überhaupt wel op te tillen is door één mens. Daarna volgt een deel met alleen maar medailles die de khedive heeft gekregen uit allerlei landen. Opvallend is dat Nederland met slechts 3 medailles vertegenwoordigt is en (veelal Nazi-)Duitsland maar liefst 3 vitrines vol heeft.

Wie denkt dat dit soort dure cadeaus iets van vroeger zijn komt bedrogen uit, want de sectie over presidentiële giften toont voornamelijk giften aan de Egyptische presidenten van de afgelopen 20 jaar. En daar zitten onder meer een vergulde F16, zilver schalen en nog veel meer ingelegde zwaarden tussen. Opvallend is dat de naam Mubarak nergens te lezen is, en de huidige president Sisi vertegenwoordigd is met grote portretten en dergelijke. Ook opvallend is dat veel van deze dure giften gedaan zijn door Egyptische overheidsinstanties. Voor een Nederlander als ik is dat maar moeilijk te begrijpen.

Naar de laatste sectie van het museum moet ik even zoeken, en bestaat uit voornamelijk zilveren schalen, kandelaren, kommen, soepterrines, bestek, kannen en ga zo maar door. Er zijn nog twee secties volgens het plattegrond bij de ingang, maar die zijn blijkbaar gesloten. Ook de tuin mag ik helaas niet in. Erg jammer, want dit is zowaar de eerste plek in Cairo die ik bezoek waar ik geen verkeer hoor!

Terug bij de uitgang krijg ik netjes mijn telefoon en zakmes weer terug. Dan loop ik door naar het Museum for Islamic Arts. Helaas is, net als gisteren de deur potdicht. Ook twee Egyptenaren duwen tevergeefs tegen de gesloten deur. Ik duik even in mijn reisgids en besluit om, net als gisteren, de metro naar het zuiden te nemen. Bij halte El-Saleh El-Malek stap ik uit.

Bij het verlaten van de metrohalte is er grote verwarring. Een man in uniform schreeuwt tegen de menigte dat ze niet door de uitgang naar buiten mogen, maar de ingang moeten nemen. Daar kan echter niemand door vanwege de stroom mensen die naar binnen komt. Dit gaat zo een tijdje door, tot de rood aangelopen man het opgeeft en iedereen gewoon de uitgang neemt. Wanneer ik dit zelf ook doe, zie ik het probleem: de uitgang is om de hoek vrijwel geheel geblokkeerd door een pick-up truck waar men puin aan het inladen is.

Eenmaal langs de obstructie loop terug naar het noorden om een aquaduct te zien. Even verdwaal ik tussen ingestorte huizen, maar dan zie ik het aquaduct liggen. Het ziet er uit als een moderne reconstructie en zelfs een vrij recente, want hij is nog relatief schoon en onbeschadigd. Wel is er een deel uitgeslagen om de metrolijn doorheen te trekken. Hoewel het aquaduct uit de Romeinse tijd stamt, is daar niets meer van te zien en ik ben dus gauw klaar.

Op het noordelijke deel van Rhoda eiland (waar ik gisteren de nilometer bezocht) bevind zich het Manial Museum; opnieuw een paleis dat ingericht is als museum. Ook hier moet ik helemaal om het ommuurde landgoed heen lopen om de ingang te vinden. De entreeprijs is opnieuw niet misselijk: €10 + €5 voor de camera, en ik moet hier mijn tas inleveren. Ook hier zijn de tuinen verboden terrein en blijken secties van het museum gesloten te zijn. Gelukkig zijn de meest interessante delen wel open, waaronder de verblijven van de stichter, Mohammed Ali, die een Ottomaanse stijl hebben. Zelfs de muren zijn ingelegd met parelmoer, schildpadschild en ivoor. Er is geen centimeter onbenut gelaten om prachtige decoratie aan te brengen, tot de plafonds en de schoorstenen aan toe. Helaas is de bovenverdieping gesloten.

In een volgend, onooglijk gebouw is de troonzaal. Zodra de deur voor me geopend wordt, voel ik me direct geïntimideerd. De zaal is smal en langgerekt. Op het plafond is een motief aangebracht die de ruimte nog langer doet lijken. Aan de zijmuren hangen portretten van heersers (er staan geen namen bij) in grandioze, vergulden lijsten. Er voor staan luxe fauteuils. Aan het einde van de hal staat de driedelige troon.

Buiten langs kun je naar de bovenverdieping, waar enkele zalen te bezichtigen zijn die voor ceremonies gebruikt werden. Geheel in Ottomaanse stijl heeft elke ruimte een eigen thema of stijl. Terug bij de ingang zie ik de klokkentoren staan, met Arabisch schrift in reliëf als decoraties en slangen als wijzers. De moskee ernaast is niet heel opmerkelijk.

Zodra ik mijn tas wil terug claimen zegt de man herhaaldelijk ‘reception’ tegen me, waardoor ik denk dat ik mijn tas daar op moet halen. Ietwat geïrriteerd hierdoor loop ik in de aangewezen richting. Daar tref ik een sectie van het paleis aan dat ik nog niet gezien had: de receptieruimtes van het paleis. Mijn irritatie maakt plaats voor een glimlach; deze man wil me alleen maar helpen! De receptieruimtes zijn opnieuw prachtig gedecoreerd. Ook staat er een schaalmodel van een anonieme moskee, geheel ingelegd met parelmoer en is er een aparte ruimte voor het harem van de te ontvangen hoogwaardigheidsbekleder.

Ook in dit museum word ik continue achtervolgt, maar omdat er ook wat ‘inheemse’ bezoekers zijn, is dat minder storend. Zodra ik mijn tas terug heb neem ik een flinke slok water en loop dan richting het dichtstbijzijnde metrostation, waar ik mezelf in de metro moet proppen.

Vermoeid plof in op mijn hotelbed neer. Rond 19 uur begeef ik me weer naar buiten. Bij de receptie ligt Ahmed te slapen. Ahmed is de man die er altijd is, maar zelden wakker. Het maakt niet uit wanneer je langs de receptie loopt, Ahmed is er altijd. En: Ahmed slaapt altijd. Achter de balie, op de bank voor de balie, op de bank in de woonkamer, op een stoel op het balkonnetje, op wat kussen op de grond, overal. Ahmed heeft een grote snor en een vriendelijke lach met bruine, half afgebroken tanden. Ik schat Ahmed een jaar of 35. Ahmed spreekt geen woord Engels, maar herkent er wel een paar, zoals ‘breakfast’ en ‘hello’. Voor al het andere werk roept hij gauw een collega erbij. Maar je moet hem natuurlijk wel eerst even wekken. Ik heb nu niets nodig, dus bij het naar buiten gaan probeer ik hem niet te wekken.

In de MacDonalds is het een drukte van belang. Ik bestel iets wat ik herken uit Nederland, Daar heb ik nu even behoefte aan. Mijn buik ligt nog steeds overhoop en eigenlijk heb ik nauwelijks honger, maar als ik dan toch wat eten moet, dan liefst iets wat ik herken en vertrouw. Hoe moet dat straks als ik in the middle of nowhere ben? Dat zin we dan wel weer. Hier heb ik die mogelijkheid nog, dus profiteer ik ervan! Het is heerlijk om weer iets te eten wat ik van thuis herken.

Er hangen A4-tjes op de liftcabine en het hek er voor, maar de tekst is in het Arabisch. Zekerheidshalve neem ik de trap. De deur van het hotel staat open (die is ‘s avonds vaak dicht) en direct daar achter ligt Ahmed op de bank te slapen. Ik moet oppassen om niet over zijn slippers te struikelen. Uit het koekblik achter de balie pak ik mijn sleutel, terwijl een collega van Ahmed me tegemoet snelt om me van dienst te zijn. Ik gebaar hem dat ik de sleutel al te pakken heb en hou mijn vinger tegen mijn glimlachende mond om duidelijk te maken dat ik Ahmed niet wil wekken. Zijn collega kijkt me aan met een ongemakkelijke lach.

Ik slaap weer lekker uit op dag 38, de dag dat Sandra aankomt in Cairo, maar dat is vanavond pas. Overdag maak ik er een rustige dag van. In de ochtend praat ik met wat mensen, ruim mijn laptop wat op en rommel wat aan. Ook informeer ik bij Ahmed, de receptionist, naar mijn wasgoed. Na wat hand- en voetenwerk begrijpt hij me, duikt een hok in en overhandigd me een stapel ongestreken maar gewassen kleding. Terug op de kamer kom ik er achter dat er nog een paar sokken en 3 hemden ontbreken. De sokken waren in de wasmand blijven liggen en de hemden worden later bezorgd; die hebben ze 2x gewassen omdat ze zo smerig waren. Met enige schaamte pak ik ze aan.

Om een uur of 14 ga ik de straat op om bij een bakker wat pizzabroodjes te kopen voor de lunch. Ook haal ik wat fruit en andere boodschapjes in huis.

In de middag ben ik vooral bezig met het samenstellen van programma’s: de komende week met Sandra, de week erna met mijn vader en de dagen erna tot aan de Sudanese grens! Uiteraard ga ik er niet van uit dat alles volgens deze planning zal lopen, maar het is voor mezelf met name belangrijk om te weten wat ik in Egypte nog en kan en wil zien, op welke dag ik waarschijnlijk Egypte zal verlaten en wat ik voordien nog regelen moet. Want mijn toeristenvisum voor Egypte verloopt op 27 of 28 oktober en als ik dat wil halen kan ik onderweg niets meer doen of bekijken. En dus ga ik proberen om mijn visum voor een maand te verlengen. Naar verluidt moet dat niet zo’n probleem zijn en het geeft mij de rust en ruimte om nog een paar dagen van Egypte te genieten.

Tevreden over mijn planning loop ik naar de receptie en vraag ik of Adel (de man die me vanaf het begin goed heeft geholpen en heel goed Engels spreekt) mij de parkeergelegenheid wil laten zien waar ik mijn kanarie straks 2 weken neer kan zetten. Adel is er zelf nog niet, maar we spreken over een uur af. Zo gezegd, zo gedaan en een uur later lopen we naar het parkeerterrein op de kruising van enkele drukke straten (zijn er dan ook rustige straten in Cairo? Ja, die zijn er!). Het is, net als in Athene niet veel meer dan een stukje braakliggend terrein met een hutje er op en verder heel veel auto’s. Ik had vooraf aangegeven dat het best een forse auto is, maar toch wordt er nog even heftig over gediscussieerd als we ter plaats zijn. De prijs wordt opgeschroefd van 600 naar 700 pond per maand. De dagprijs blijft echter gelijk, dus per saldo kost het me uiteindelijk waarschijnlijk nauwelijks meer. Er is 24×7 bewaking en ik kan de auto 24×7 bereiken. Tevreden lopen we terug naar het hotel.

Daar blijf ik maar heel even, want ik ga opnieuw de straat op om te eten. Wederom iets eenvoudigs. Mijn buik gedraagt zich steeds beter en ik begin zowaar wat honger te krijgen, maar ik wil nog wel voorzichtig zijn. Terug in het hotel informeer ik naar de taxi die Sandra moet ophalen van het vliegveld. Ik had eerder aangegeven dat die eerst mij op moet pikken, zodat ik er bij ben als ze het vliegveld verlaat. Dat blijkt Adel te zijn vergeten, dus regelt hij het ter plekke alsnog.

Onderwijl krijg ik een appje binnen van Judith, de vrouw van Jochen, de Duitser die ik in de rij in Alexandrië ontmoet had. Ze stuurt me een foto van mijn kanarie en het bericht dat de auto klaar staat! Dat is een onverwachte wending! Ik had pas op z’n vroegst morgen een bericht hierover verwacht, en niet van haar natuurlijk, maar van CFS. Judith en Jochen hebben vandaag hun truck opgehaald en blijkbaar heeft Fathy meteen mijn auto door de bureaucratie geloodst. Ik stuur hem direct een mailtje en krijg snel de bevestiging terug dat de auto morgen opgehaald kan worden. Desgevraagd zei Judith ook dat er niets gestolen was uit de auto. Allemaal erg geruststellend nieuws dus!

De taxi voor Sandra komt een half uur te laat bij het hotel aan om mij op te pikken. Het gevolg is dat de chauffeur zich als een maniak door het drukke verkeer begeeft. Hij heeft blijkbaar een rotsvast vertrouwen in zijn remmen, want hij komt altijd met grote vaart aanrijden om dan op het laatst mogelijke moment te remmen. Ook neemt hij voorrang op de meest asociale manier mogelijk. Natuurlijk, zullen ervaren Egyptereizigers zeggen, dat doen ze allemaal! Dat klopt, maar ik heb al in vele tientallen Egyptische taxi’s gezeten, maar zo erg heb ik nog nooit meegemaakt. Hij rijd bijna 2 mensen aan en soms vrees ik echt voor mijn leven.

Na deze dodenrit parkeert hij vrolijk de auto en lopen we naar de aankomsthal. Daar is het een drukte van belang, meer dan normaal. Er staan veel mensen met Egyptische vlaggetjes die proberen de hal in te komen, maar ze worden door bewakers telkens naar buiten geduwd. Het vliegtuig blijkt al een half uur geleden geland te zijn, dus ik ben bang dat Sandra al buiten is en tussen de menigte staat. Toch kan ik haar niet vinden en blijf met de chauffeur voor het raam staan wachten. Intussen wordt de menigte buiten steeds groter en zodra er een klein, atletisch mannetje rood trainingspak in de hal verschijnt, stijgt een groot gejuich op. Even later worden 5-6 van dat soort mannetjes letterlijk op handen gedragen, in de lucht gegooid en ze worden gecrowdsurft. Ik vraag aan de chauffeur wie dit zijn. Hij antwoord:’Football’. Dat verklaart alles. Gelukkig is deze poppenkast redelijk snel weer voorbij en krijg ik weer overzicht. Ruim een half uur later begin ik me een beetje zorgen te maken, want waar blijft Sandra? Ik besluit nog maar eens de, inmiddels behoorlijk geslonken menigte door te lopen, maar net als ik daarvoor mijn mpst verlaten heb, komt ze aanlopen, Gelukkig zien we elkaar snel. Het is fijn om weer een bekend gezicht te zien!

Al pratend rijden we terug naar het hotel. Haar kamer blijft veel mooier dan de mijne te zijn! Kleiner weliswaar (‘maar’ 2 bedden), maar ze heeft een (moderne!) tv, haar muren zijn niet afgebladderd, haar douchebak ziet er schoner uit, ze heeft zowaar een armatuur om de lamp en, niet onbelangrijk, ze heeft een volledige vloer! Waar ik gaten in het parket heb, die provisorisch met een kleed afgedekt zijn, maar waar ik me nog wel regelmatig op verstap, heeft zij keurige vloertegels.

We praten nog een half uurtje bij in de gemeenschappelijke woonkamer en gaan dan gauw naar onze bedden, want morgen moeten we om 5 uur op!

Op deze dag (dag 39) gaan we namelijk de auto ophalen. Daarvoor willen we opnieuw de trein naar Alexandrië nemen van 6 uur, zodat we nog wat aan onze dag hebben. Bovendien heb ik gisteren geen kaartjes kunnen kopen, en ik hoop: hoe vroeger de trein vertrekt, hoe groter de kans op 2 vrije plaatsen.

Zonder ontbijt achter de kiezen lopen we naar Ramses Station. Het valt me op dat het een stuk drukker op straat is dan een week geleden om deze tijd. Helaas blijkt de trein van 6 uur toch vol te zitten. De vroegste mogelijkheid is de trein van 8 uur. Die doen we dus maar. Ik krijg 2 handgeschreven kaartjes overhandigd (de vorige 2 ritten kreeg ik nette geprinte kaartjes). Wat nu? We hebben nog 2 uur te doden, dus kijken we even rond of we ergens rustig een kopje thee kunnen drinken. Dan, ineens, voel ik mijn diarree op de meest onprettige manier denkbaar manifesteren (vul zelf maar in hoe precies) en ren naar de toiletten, leg een pondje neer en storm naar binnen… om vervolgens tegen een muur van 2 lange rijen op te lopen. Oh man, dat meen je niet! Badend in het zweet en zwaar gegeneerd door wat me zojuist overkomen is wacht ik zo kalm als mogelijk is mijn beurt af, maar het lijkt wel alsof iedereen uitgebreid een boek leest op de toiletten, want het duurt uiteindelijk een half uur(!) voor ik eindelijk aan de beurt ben. Het toilet is vreselijk smerig: de drollen liggen hoog opgestapeld in de pot en ik wil niet nadenken over wat er op de vloer ligt. Toiletpapier is er niet. Gelukkig heb ik zelf een klein noodvoorraadje bij me, maar dat volstaat bij lange na niet voor dit incident. Zelden heb ik me zo ellendig gevoeld.

Eenmaal in de stationshal teruggekeerd adem ik de relatief frisse lucht even extra diep in en zeg tegen Sandra dat ik terug wil naar het hotel. Dit was slechts een noodoplossing en we hebben nu toch alle tijd. Het blijkt uiteindelijk een gelukje bij een ongeluk te zijn, want in het hotel krijgen we ontbijt geserveerd, ook al is het daar eigenlijk nog te vroeg voor en had ik gisteren aangegeven dat ze op ons niet hoefden te rekenen voor het ontbijt. Wat eens service!

Opgefrist, verschoond en met een ontbijt achter de kiezen lopen we wederom naar het station, waar we snel ons plekje vinden. Nu ja, nog voor de trein vertrekt blijkt dat we in de verkeerde wagon zitten, maar dat is zo verholpen. Wat volgt is een rustige, zeer comfortabele rit van 2,5 uur.

Aangekomen in de stad van Alexander de Grote lopen we rustig naar het kantoor van CFS toe. Ik weet nu tenminste exact waar dat is… We worden gastvriendelijk ontvangen en ik krijg snel mijn papspoort, kentekenbewijs, autosleutel en carnet terug. Dat is alvast een heeeeeele geruststelling! Wat is een mens in het buitenland zonder paspoort? Wat volgt is een onduidelijk verhaal over de kist op mijn motorkap. Blijkbaar heeft dat heel wat problemen bezorgd. Niet alleen omdat ze er half Alexandrië mee door hebben moeten rijden, maar vooral omdat de douane de inhoud wilde zien, maar geen sleutels had van de kist (en de rest van de auto, maar dat was blijkbaar geen probleem).

Oeps…

Eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik nooit voorzien heb op deze problemen. Ik was zo gefocust op het beveiligen van mijn spullen tegen diefstal, dat ik geen moment gedacht heb aan de douane in Egypte. Ik ben er (vrij naïef) altijd van uit gegaan dat dat allemaal pas bij het ophalen van de auto aan de orde zou komen. Dan zou ik ter plaatse de kist kunnen openen voor de douane en ter plaatse de kist weer terug op het dak plaatsen. Maar, ter mijner verdediging, niemand heeft mij vooraf vertelt dat ik hier rekening mee moest houden en als ze me even gebeld hadden, dan was ik stante pede naar Alexandrië afgereisd met de ontbrekende sleutels.

Hoe dan ook: de douane wilde de kist met geweld open breken en had de spanbanden al losgehaald. Fathy (van CFS dus) heeft dat echter weten te voorkomen door de douane een leuke bakshees (fooi) toe te schuiven van € 100. Of ik die dus maar even terug wil betalen aan CFS. Tja, ik heb geen keuze, nietwaar? Gelukkig had ik vanmorgen zoveel geld meegenomen.

Een wijze les voor deze overlander! Maar wel een dure. Niettemin is het geen geruststellend idee dat je bij wijze van spreken alles Egypte in kan smokkelen voor €100…

Vreemd is ook dat over het zwaar vergrendelde interieur van de auto niets opgemerkt wordt. Van vorige overlanders heb ik ook niet gehoord dat de douane problemen had met afgeschermde delen van het interieur. Blijkbaar is alleen een grote, glimmende kist op de motorkap ‘verdacht’, voor de Egyptische douane. Ik denk het er mijne van…

Ik krijg netjes een nieuwe factuur en betalingsbewijs met de nieuwe totaalbedragen en een handgeschreven weglicensie (het computersysteem was stuk). Met dat documentje (A5-je met veel stempels en een geperst watermerk) moet ik legaal de weg op kunnen. Ik vraag naar een verzekeringsbewijs voor de ‘road insurance’. Dat wuift Fathy weg. ‘Die zal ik je toesturen zodra ik hem heb, maar je hebt hem niet nodig. Er zal niemand naar vragen, zolang je de weglicentie maar kunt tonen.’ Hij mompelt ook iets over brandblussers, maar dat begrijp ik niet helemaal.

Ook al geven we aan niets te drinken te willen, toch krijgen we elk een flesje water in ons handen gedrukt, waarna we met een andere man meelopen naar de parkeergarage (een hele oude, Franse fabriekshal). Daar, helemaal bovenin, staat mijn trouwe, gele kanarie te pronken. Het is een roerend weerzien. Op het eerste gezicht ziet alles er compleet en onbeschadigd uit. Er zijn geen sloten geforceerd. Wel bizar is dat ik 2 enorme brandblussers in de auto aantref! Ik vraag aan de man die ons voorging naar de garage waarom ze die in de auto gegooid hebben, want ik héb al 2 brandblussers! Zijn antwoord: ‘not Egyptian.’ oftewel: de brandblussers moeten van Egyptische makelij zijn! Wat moet ik nou in vredesnaam met 2 enorme brandblussers én 2 kleine!

De man begrijpt nagenoeg geen Engels, dus hebben we telefonische hulp van Fathy nodig om hem duidelijk te maken dat we graag nog even het Alexandria National Museum willen bekijken, voordat we wegrijden met de auto. Dat blijkt geen probleem. Ik hoef alleen even mijn gezicht te laten zien bij de ‘bewaking’ en dan is het in orde. Het is 12:15 en we hebben 2 uur (of tot 14 uur, dat is niet helemaal duidelijk) de tijd.

Het museum zit tegenover het CFS kantoor, maar op een goed kwartier lopen van de garage. Niettemin blijken we genoeg tijd te hebben voor het museum. Bij tassenscanner moeten (hoogst ongebruikelijk) alle etenswaren en drinken uit de tassen halen voor ze door de scanner gaan. Daarn krijgen we alles gewoon weer terug. We zijn zowaar niet de enige bezoekers; er lopen zeker 2-3 buitenlandse groepjes rond. Een jaar of 8 geleden zijn we hier ook al eens geweest. Het museum is gehuisvest in een prachtig klassiek gebouw. Helaas is de binnenzijde zichtbaar aan het vervallen. Niettemin is de collectie zeer de moeite waard. Allereerst bekijken we de Grieks-Romeinse collectie op de begane grond. Dan de faraonische collectie in de kelder, en tot slot de Koptische en 20e eeuwse collectie op de eerste verdieping.

Rond 13:30 zijn we klaar en lopen terug naar de garage. Onderweg kopen we wat lunch. Met een grote pizzadoos op mijn arm (ik had verwacht een slice te krijgen) lopen we de garage in. We worden vriendelijk begroet en de man wiens hand ik 2 uur eerder geschud had loopt met ons mee. Ik gebaar dat ik eerst de kist op het dak moet zetten. Hij snapt het direct en wil al meteen beginnen. Dan wijs ik hem op het gat in de muur waar de auto doorheen moet. Dat is te laag om met kist op het dak doorheen te rijden. De rest van de doorgangen zijn ruimschoots hoog genoeg. Opnieuw snapt hij me direct en helpt me met het manoeuvreren door het gat in de muur. Met vereende krachten zetten we samen de kist op het dak en ik snoer hem stevig, maar tijdelijk vast met een spanband. Definitief vastzetten komt een andere keer wel. Helaas beschadigd bij deze actie wel het logo op de kist, maar in het licht van alles wat fout had kunnen gaan met de auto de afgelopen dagen, beschouw ik dat als onbelangrijk. Belangrijker bijvoorbeeld is dat de motorkap het enorme gewicht van de kist zonder ook maar een deukje heeft gehouden.

Terwijl de behulpzame man en ik aan de kist werken, neemt Sandra foto’s van de klus en ontgrendelt de achterdeur (die ik van binnenuit op slot gedaan had met een fietsslot). Teamwork! Na een ongeveer een half uurtje stoeien is alles klaar. Dat wil zeggen: de auto is weer rijklaar, maar achterin is het één grote puinhoop. Dat komt later wel. Het is nu al bijna 15 uur, we hebben een rit van zeker 3 uur voor de boeg en ik wil niet in het donker door hartje Cairo rijden.

De vriendelijke man loopt me voor de garage uit en zegt me, zonder ook maar een pondje bakshees te willen hebben voor zijn hulp, vaarwel. Ik schud hem dankbaar de hand en rij mijn eerste meters op Egyptisch wegdek. Het is (uiteraard) druk op de weg in Alexandrië, maar eigenlijk valt het me nog best mee. Dankzij de smalle bergweggetjes en dorpssteegjes in met name Frankrijk en Griekenland heb ik een heel goed gevoel opgebouwd voor de dimensies van mijn auto en kan me daardoor prima een weg banen door de complete chaos van het Egyptische verkeer. Daar komt bij dat ik met name in Italië veel ervaring op heb kunnen doen met chaotisch verkeer. Hoe dan ook: het rijden gaat me prima af, al zeg ik het zelf. 🙂 Volgens Sandra rijd ik al direct net zo agressief als een Egyptenaar. Dat beschouw ik maar als een compliment. 🙂

Eenmaal de stad uit zet ik de auto even langs de kant. Even uitblazen! En even wat eten, want ik heb nog geen hap gegeten van mijn inmiddels koude pizza. Die blijkt echter vrijwel geheel versmolten te zijn met het karton, dus moet ik de peperoni en kaas er van af schrapen. Uiteindelijk krijg ik nog geen 20% van de pizza naar binnen. We rijden weer door tot de tolpoort van de Cairo-Alexandria desert road. Dat kost slechts 5 pond.

Het is erg rustig op de weg, en dus heerlijk rijden. Onderweg laat ik de inmiddels bijna geheel lege beide dieseltanks letterlijk tot de rand toe vullen voor een paar tientjes. 18 cent per liter!

Ruim voordat we de buitensteden van Cairo bereiken is de zon al verdwenen. Ik zal dus toch door het donker moeten rijden door de avondspits van één van de grootste en drukste steden ter wereld… Ik ben al erg moe van deze lange, vermoeiende dag en de Immodium kan niet voorkomen dat mijn buik blijft rommelen. Het is nog drukker dan ik had verwacht. Continue moet je om je heen blijven kijken, want het verkeer kan van alle kanten komen en je moet agressief blijven rijden, want anders schiet iedereen voor je langs en ben je zo uren langer onderweg. Het is een grote opgave, maar tot mijn eigen verbazing betrap ik mezelf er op dat ik moet lachen om de situatie. Ik kan nog steeds niet geloven dat ik hier nu echt rij! Het klinkt wellicht arrogant, maar ik ben apetrots op mezelf. Ik ben ook erg dankbaar voor Sandra’s houding tijdens de rit. Mijn raam wil ik in de drukke stad open houden om mijn hoofd naar buiten te kunnen steken, de spiegel bij te stellen en (niet onbelangrijk) om een beetje koelte te hebben. Ik weet echter dat Sandra niet tegen de tocht van openstaande autoramen kan en ze zit helemaal in elkaar gedoken. Niettemin klaagt ze niet en laat me mijn gang gaan.

Door alle files komen we pas rond 19 uur aan bij de parkeerplaats in de buurt van het hotel. Daar worden eerst 3 auto’s weggereden, zodat die van mij er achter kan. Mijn auto staat dus aan 3 kanten ingeklemd tussen verschillende andere auto’s en aan één kant een hoge muur. Het is maar goed dat ik niet van plan ben er veel mee te gaan rijden. Ik raap al mijn belangrijke spullen bij elkaar, doe de auto op slot en loop samen met Sandra naar het hotel. Opnieuw ben ik apetrots op mezelf. Wauw: ik heb een échte vuurdoop gehad en het glansrijk overleefd!

In het hotel frissen we ons even op en begeven ons weer op pad. Niet te ver, want het is 19:40 en we willen eten. We vinden gelukkig een prima restaurantje waar we prima lemon juice en lentil soup bestellen. De spaghetti moet ik echter halverwege laten staan. Ik kan niets meer op, terwijl ik echt niet veel op heb. Misschien is het de spanning of zo.

We lopen nog even langs wat winkeltjes en gaan dan terug naar het hotel waar we de rest van de avond aan onze eigen bloggen schrijven.

Dag 40 breekt aan om 7:15. Om 8 uur verzamelen we voor het ontbijt. Daar moeten we echter nog een uur(!) op de felbegeerde belangrijkste maaltijd van de dag wachten. Uiteindelijk krijgen we elk een pitabroodje full (een soort prakje van favabonen) en een pitabroodje falafel. Een kopje thee kan er ook nog wel van af, maar de melk voor Sandra moet waarschijnlijk nog bij de koe vandaan gehaald worden, want tegen de tijd dat het er is, is de thee al lang en breed koud. Gelukkig krijgt ze zonder vragen direct een nieuw kopje. Intussen bellen we met Mohammed, een goede kennis van ons beide. We willen graag vanavond met hem afspreken, maar door communicatieproblemen valt dat nog niet mee. Uiteindelijk spreken we af om 18 uur bij de ingang van de Khan el Khallili.

Het is intussen al bijna 10 uur voor we eindelijk op pad gaan. We lopen eerst langs de auto, want daar had ik mijn camera in laten liggen. Dan lopen we door naar het Egyptisch Museum. Het is nog aardig druk vandaag, maar dat komt misschien ook omdat het vandaag opnieuw een nationale feestdag is. Er speelt zelfs een fanfareband in de binnentuin van het museum en bij de ingang van het gebouw worden we opgewacht door kleine meisjes in schattige faraonische kostuums. Ze delen vlaggetjes en ansichtkaarten uit aan de bezoekers. Voor het eerst in 13 jaar is het weer toegestaan om foto’s te maken in het museum, zij het tegen betaling van 50 pond. Daar maken we dan ook meer gebruik van dan goed voor ons is. Om een uur of half 15 zijn we te moe om nog door te gaan, maar we hebben weer uitermate genoten van de ongelooflijk rijke collectie van dit beroemde museum. Het is bepaald niet de eerste keer dat we hier zijn en zeker niet de laatste keer, dus het is best zo.

We rusten eventjes uit op een muurtje en lopen dan naar de Cairo Tower op het Zamalek eiland. Het is al ruim na 15 uur, dus de tijd begint wel te dringen. Nadat we een kaartje gekocht hebben zijn we de lange rij voor de ingang staan. 99% daarvan is Egyptisch. In kleine groepjes worden er mensen naar binnen gelaten. Het duurt erg lang voor wij naar binnen mogen, waar we opnieuw in een rij terecht komen. De enkele, hele kleine lift wordt iedere keer stampvol geladen (als sardientjes in blik) en naar boven gestuurd. Hoewel de toren 187 meter hoog is, zijn er slechts 7 verdiepingen. Bovenaan moeten we ons een weg banen over een smalle trap waar een lange rij mensen op staat voor de lift naar beneden. Er is geen enkele deur te zien die wijst op een noodtrap en eigenlijk is het doodeng. Maar goed, we zijn hier nu…

Bovenaan de trap komen we op de buitenring waar we een fantastisch uitzicht hebben over deze onmetelijke metropool. Als we heel goed tegen de zon in kijken, zien we de piramides van Gizeh opdoemen tussen het smog als wachters van de stad.

Om naar beneden te komen, moeten we, zoals gezegd, opnieuw aansluiten in een rij die al buiten begint. Het is al 17:20 als we weer beneden en buiten zijn en haasten ons naar het metrostation, waar we de oostelijke richting kiezen, middels een tamelijk goed verborgen overstap op Attaba komen we aan bij Bab el-Shariya, vanaf waar we ons gehaast een weg door de kleine steegjes van de Khan el-Khallili banen. Bijna een half uur te laat komen we aan op de afgesproken plek. Gelukkig hebben we Mohammed een uur geleden al laten weten dat we het niet zouden gaan redden. Even later vinden we elkaar. Ik heb Mohammed 5 jaar geleden voor het laatst gezien, dus het is erg leuk hem weer eens te ontmoeten. We lopen gezamenlijk de wijk uit en in een klein, rustig steegje duiken we op aanwijzingen van Mohammed een piepklein restaurantje in. Volgens hem zijn wij de eerste buitenlanders die hij mee heeft genomen naar zijn favoriete restaurant. Het is een onooglijk tentje en zelfstandig zou ik alleen overwogen hebben om er naar binnen te gaan als er geen betere keuze voor handen was. Maar Mohammed is razend enthousiast over het eten en, het moet gezegd, het smaakt inderdaad verrukkelijk. Ik bestel lamsribbetjes en krijg ik heerlijke kofta bij. Het vlees is super mals een kruidig van smaak. De salade van tomaat en komkommer heeft een goede dressing. Als drankje krijgen we Egyptische whiskey: een mix van onder meer azijn, komkommersap, stukjes rode ui en waarschijnlijk gemalen pepers. Het is een uiterst troebele suspensie en heeft een zeer specifieke, scherpe smaak. Zodra ik het proef, begrijp ik de naam. Alcohol is verboden voor moslims, maar met dit drankje kom je nog aardig in de buurt van de smaak van alcohol. Om eens te proberen vind ik het wel lekker.

Het is een gezellig en lekker diner. Na afloop lopen we terug naar de Khan el-Khallili waar Mohammed ons meeneemt langs enkele mooie of interessante plekjes die we nog niet eerder gezien hebben. Ook blijven we even zitten in het hart van Islamtisch Cairo, dat begrijpelijkerwijs ook wel vergeleken wordt met de sprookjes van 1001 nacht. Er treed zo nu en dan een trommelbandje op, mensen keuvelen, dansen, enkele jongeren maken acrobatische sprongen en het is gewoon een gezellige boel. Rond 20 uur drinken we nog even een kopje thee op een terrasje en nemen dan afscheid van Mohammed en zijn zoon, die even kwam buurten.

Te voet begeven we ons naar het hotel, waar we opnieuw afgepeigerd aankomen. Het laatste restje van de avond besteden we aan onze bloggen.

3 gedachtes aan “Dag 36-40 (2-6 okt.): De avondspits van Cairo

  1. Nick & Ellen van Ogtrop-de Ruiter

    Gelukkig is de overtocht van je kanarie goed verlopen, ik kan me jouw gemaakte zorgen goed voorstellen. Ten aanzien van je vuurdoop (en de opmerking van Sandra over je rijstijl), kan ik alleen een afgeleide advies doorgeven van wat wij in Canada kreeg met de 4½ ton zware pick-up die wij te leen hadden: “drive like a dork, you’re bigger than they are …!”

    Veel plezier nog met je bezoek uit Nederland!

    Groetjes …!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.