Dag 256-260 (9-13 mei): Topdagen in de moerassen van de Okavango, Nxai NP en de zoutvlaktes van Ntwetwe

Dag 256. Geluksmomentjes, ik heb het er al vaak over gehad. Vandaag is weer een topdag!

Opstaan om half 7, want ik wil bijtijds bij het vertrekpunt voor mijn mokorotripje zijn. Zodoende rijd ik rond 8 uur de weg op. Ik volg de hobbelige weg voor 15 km waarvan de GPS beweert dat ik die hebben moet en kom inderdaad uit bij de Boro Prison Farm. Volgens de dame bij het boekingskantoor gisteren moet het vertrekpunt hier ook zijn. Niet dus. Een grote legertruck ziet me twijfelen en stopt naast me. De chauffeur wijst me op de bosjes naast de gevangenis en verrek, daar is inderdaad een smal zandpad. Volgens hem moet ik die blijven volgen. Zo gezegd zo gedaan, maar na verloop van tijd splitst het pad zich keer op keer en weet ik echt niet meer welke ik moet volgen. Het is een zanderig, groen landschap en er is geen mens te zien. De weg vragen is dus wat lastig. Een aantal keer moet ik omkeren, maar dan bereik ik eindelijk het dorpje Boro. Hier dan maar even vragen. Maar ook hier geen mens te zien! Alle hutjes lijken verlaten. Hoe on-Afrikaans! Na nog wat omzwervingen kom ik bij een open plek tussen de huisjes waar wat mensen zijn. Een man vertelt me dat ik er bijna ben en alleen nog een klein stukje rechtdoor moet. Daar zal hij ook naartoe gaan, want hij wil graag op mijn auto passen tijdens mijn tochtje.

Inderdaad arriveer ik een paar honderd meter verderop bij het Boro Gate vertrekpunt. Ik zie zowaar enkele toeristen een hoop mokoro’s. Een mokoro is eigenlijk een boomstamkano gemaakt van een ceder- of worstenboom, maar omdat die kano’s maar een jaar of 5 meegaan, maakt men de bootjes nu van glasvezel. Minder authentiek, maar wel zo duurzaam. Er liggen verschillende bootjes klaar. Ik parkeer mijn auto (op een taxi na de enige) ergens onder een boom en wordt meteen benaderd. Eerst een dame die vraagt wat ik hier kom doen. Ik geef haar mijn betaalbewijs die ze wat ongelovig accepteert, maar ze gaat op zoek naar mijn poler. Het is duidelijk dat men totaal niet gewend is dat toeristen op geheel eigen gelegenheid zo’n tochtje organiseren en naar het vertrekpunt rijden. Dan komt een man naar me toe die beweert dat het stoeltje in de mokoro niet inbegrepen is en dat hij er 1 aan mij wil verhuren. Daar moet ik smakelijk om lachen. Dat is weer typisch Afrika! Ik ga nog even de discussie met hem aan, want het is natuurlijk te bezopen voor woorden dat ik daar apart voor moet betalen, maar uiteindelijk ga ik toch maar overstag, want het gaat maar om een paar euro en ik heb toch een stoeltje nodig, anders heb ik in mum van tijd rugpijn.

Nu is de auto-babysitter ook van de partij. Hij zegt me dat ik zelf mag bepalen wat ik hem betaal aan het einde van de dag. Dat vind ik prima. Ik vind het wel een fijn idee dat iemand hier op mijn huis op wielen past. En dan komt ook mijn poler me opzoeken. Willy, stelt hij zichzelf voor. Hij ziet er niet al te sympathiek uit, maar spreekt goed Engels en is niet onvriendelijk. Hij dringt me er op aan met hem mee te komen naar het dorp om de paal waarmee hij de mokoro voortduwt op te halen. Als ik vraag waarom ik daarvoor mee moet krijg ik alleen als antwoord dat dat beter is. Daar trappen we natuurlijk niet in. Eenmaal in het dorp probeert men ongetwijfeld op allerlei manier om geld aan me te verdienen. Daar kom ik niet voor, dus ik weiger. Ik pak mijn spullen, jij de paal, oké? Schoorvoetend gaat hij akkoord en is in 2 minuten weer terug. Ik vraag Willy wat het plan voor vandaag is. Eerst 1,5 uur varen, dan 1,5 uur wandelen, dan lunch en weer 1,5 uur terugvaren, daar komt het op neer. Dat is een stuk korter dan ik gehoopt had, maar we zien wel hoe het loopt. We gaan aan boord van een witte mokoro en even later varen we af. Ik ben al meteen gelukkig, want we varen al direct tussen honderden prachtige waterlelies. Het is een prachtig tochtje. We praten over van alles en nog wat, maar onderwijl weet ik ook enorm te genieten van het zachte ruisen van het riet, het regelmatige plonsen van de paal in het water, de vogels in de verte, de talloze spinnen die in de toppen van het riet hun web aan het onderhouden zijn, uiteraard de al even talloze waterlelies en het heldere water vol kleine visjes en planten. We zijn niet de enigen op het water. Er zijn zeker 6 andere mokoro’s in de omgeving, maar daar merk ik niet veel van en is ergens wel geruststellend. Dan is er tenminste iemand in de buurt als we omslaan of zo. Helaas komen we nagenoeg geen dieren tegen. Ik had gerekend op nijlpaarden en piepkleine, felgekleurde kikkertjes in het riet, en gehoopt op krokodillen, olifanten en veel soorten vogels, maar niets van dat al. Nou ja, wel wat vogels en eerder genoemde spinnen, maar dat is alles. Maar eigenlijk kan het me niet zoveel deren. Ik ben al zo ontzettend blij om hier weer te zijn na mijn fantastische mokorotochtje van 5 jaar geleden. En het is ook zonder dieren een prachtige belevenis.

Na ruim 2 uur varen komen we aan bij een eiland waar al verschillende mokoro’s liggen. Ik zie dan ook verscheidene toeristen, waaronder opnieuw Nederlanders. Dat dit een eiland is valt eigenlijk niet te zien. Het riet en het gras groeien overal, zowel in het water als op land en je moet echt vlak bij de oever staan om de glinsteringen van het water te kunnen onderscheiden. We rusten een paar minuten uit onder een boom en beginnen dan aan de natuurwandeling. Net als voor aanvang van de vaartocht krijg ik van Willy een standaard verhaaltje te horen over dat ik vooral veel vragen mag stellen en niet moet gaan gillen of wegrennen als ik een wild dier zie. Dan gaan we op pad. Al snel komen we bij een groep zebra’s, waar hij het een en ander over vertelt. Ook vertelt hij iets over de vegetatie om ons heen. Dan lopen we verder. Behalve een mooi groen landschap is er niet erg veel te zien onderweg, maar na ruim een uur lopen komen we bij een grote termietenheuvel waar we in de verte opnieuw zebra’s zien, maar nu vergezeld van wildebeesten. Hier keren we om en zien op de terugweg nog litschiewaterbokken (red lechwe) in de verte. Mooi, want die had ik nog nooit eerder gezien!

Als we weer terug zijn bij de mokoro hebben we bijna 2,5 uur gelopen. Als lunch neem ik wat kaakjes met honing. Intussen komt er een tweetal Tsjechen aan waar we een tijdje leuk mee babbelen. Het is alweer 14 uur als we weer in het bootje stappen en de terugreis aanvaarden. Nu de zon meer achter me staat en Willy en ik een beetje uitgesproken zijn kan ik nog beter van de natuurpracht genieten. Maar de houterige zithouding en het feit dat je eigenlijk nauwelijks kan bewegen om de balans van het smalle bootje niet in gevaar te brengen begin zijn tol te eisen en stiekem ben ik toch wel blij als we om een uur of 16 aankomen en ik mijn trotse kanarie weer terug zie.

Willy geef ik zijn dagloon en een aardige fooi, en geef hem het geld voor de huur van het stoeltje (want de eigenaar is zijn broer) en de zelfbenoemde parkeerwachter geef ik ook een bijdrage. Met een grote glimlach op mijn gezicht rijd ik weer terug naar de camping. Omdat ik nu een andere route neem dan heen kom ik tot twee keer toe bij een gammel uitziend houten bruggetje uit. Het soort waar ik een broertje dood aan heb sinds Rwanda. De eerste neem ik op hoop van zegen, maar de tweede mist wat balken, dus hier stap ik even uit om de situatie te beoordelen. Een man komt naar me toe lopen, schud me de hand en verzekert me dat de brug veilig is. En hij krijgt gelijk! Het pad loopt vervolgens door diep zand, waar mijn kanarie met 4×4 ingeschakeld doorheen danst alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Het is een fantastische dag geweest. En hoe kun je een dag lang varen op het water beter afsluiten dan met een duik in het water? De camping heeft 2 zwembaden en hoewel het de laatste dagen niet erg warm is, is het dat nu wel, dus stap ik heel voorzichtig in het ijskoude water. Het is zo koud dat ik bang ben een teen of vinger te moeten missen zo meteen, dus ben ik er redelijk snel weer uit, maar we mogen in elk geval stellen dat het verfrissend was. Als avondeten warm ik een nasiprakje van eergisteren op, terwijl mijn nieuwe Zuid Afrikaanse buren groots uitpakken en de hele avond braaien bij hun super de luxe offroadcampers.

Dag 257. Alweer een klusdag?! Yep. Een voordeel van met z’n tweeën reizen is dat je 2 dingen tegelijk kunt doen: koken en bed opmaken, of verslag tikken en auto nakijken, of internetten en kleine reparaties doen. Dat voordeel mis ik, dus heb ik relatief veel klusdagen. Daarbij komt dat het bijhouden van zo’n uitgebreide blog gewoon erg veel tijd kost. Vandaag dus: rustig opstaan en ontbijten, uren lang klooien op de laptop met het trage wifi, praatje maken met mijn Zuid Afrikaanse buren, sinaasappels persen (lees: de apen continue op afstand proberen te houden, want die zijn blijkbaar dol op sinaasappels!), koelkast schoonmaken, administratie doen, etc. Als beloning bak ik vanavond pannenkoeken voor mezelf. Met dank aan Heroen, die heeft aangetoond dat dit mogelijk is met zelfrijzend bakmeel, water en geen recept. En inderdaad, ze zijn erg geslaagd al zeg ik het zelf.

Dag 258. Vlees braden langs de kant van de weg, terwijl de politie je op de vingers kijkt. Dat kan alleen in Botswana (of Namibië). Maar ja, dat vlees mag alleen langs deze controlepost als het bereid is.

Terug naar vanochtend. Het is weer behoorlijk koud als ik opsta: 12gr C. Sokken, schoenen, lange roek, trui en een kop warme thee helpen. Tegen de tijd dat ik weg rijd kan de trui alweer uit. De rest van de dag is het erg zonnig en tamelijk warm.

Ik hoef maar een klein eindje te rijden vandaag. Morgen wil ik Nxai Pan NP in en de dichtstbijzijnde plaats met een camping is Gweta, dat op 85 km van Maun ligt. Eerst rijd ik echter nog even Maun in voor wat last minute boodschappen. Ik weet namelijk niet wanneer ik weer de kans krijg om een supermarkt te bezoeken. Ook koop ik voor alle zekerheid nog een reserve brandstoffilter. Die kosten immers maar een paar euro.

Op zo’n 10 km voor het checkpoint voor mond- en klauwzeer (MKZ) – die gelukkig in iOverlander staat, anders had ik het niet geweten – stop ik langs de weg om mijn geliefde Nederlandse kaas en mijn voorraadje vlees te verstoppen. Ik pas 2 strategieën toe. Ten eerste verstop ik de verboden waren open en bloot op de bijrijdersstoel, maar wel in een hersluitbare muesliverpakking. Ten tweede laat ik wat vlees achter in de koelkast om als afleiding te dienen. Dat vlees is toch al groen uitgeslagen en vertrouw ik niet meer. Aangekomen bij het checkpoint moet ik eerst met mijn voeten in een natte bak gaan staan en vervolgens word ik gesommeerd om mijn koelkast te openen. Daarin liggen overigens ook nog eieren (in muesliverpakking) en een restje bacon (zonder vermomming). De controleur staart zich echter direct blind op het pakje vlees. Ik zeg heel quasi-onschuldig dat ik dacht dat vacuümverpakt vlees wel mocht, maar hij is onverbiddelijk. Ik mag het wel ter plaatse bereiden, en dan mag ik het wel meenemen. En zo komt het dat ik onder toezicht van een politieagent en een controleur mijn groen uitgeslagen vlees langs de kant van de weg sta te braden. Het vlees stinkt en liefst zou ik het gewoon weggooien, maar dat zou verdacht overkomen. De controleur is immers na deze vondst direct gestopt met controleren.

Zodra het pannetje en het kookstel weer een beetje afgekoeld zijn laad ik alles weer in en rijd al zwaaiend naar de 2 mannen door het sodabad en verdwijn aan de horizon. Het vlees heb ik later weggegooid. De kaas en de rest van het vlees liggen weer netjes in de koelkast. Voorlopig kom ik geen checkpoint meer tegen, als het goed is.

Tijdens het rijden besluit ik om af te wijken van mijn plan en een wildkampeerplekje te gaan die in iOverlander staat. Het is minder ver rijden, uiteraard gratis en ongeveer even ver van de ingang van het NP. Ik moet daarvoor rechtsaf bij de splitsing van deze hoofdweg. Links gaat normaal gesproken naar Nata, Gweta en het NP, en rechts naar Francistown. Maar vanwege een grote overstroming bij Zoroga is de linkerweg afgesloten. Hoewel alle plaatsen tot aan Zoroga gewoon bereikbaar zijn en er zelfs een omleiding is gecreëerd.

Hoe dan ook, ik ga sowieso rechts, duik na een paar kilometer de weg af en volg een smal spoor door de bosjes. Geen bandensporen te zien, alleen sporen van vee, dat hier en daar rondloopt. Na weer wat kilometers vind ik een aardig plekje waar ik uitgebreid lunch. Daarna verken ik de omgeving om een mooi plekje voor de nacht te vinden. Daar installeer ik mezelf en besteed de rest van de middag aan het proberen te repareren van mijn goothoeklens, wat helaas nog altijd niet lukt. Aan het einde van de middag kook ik spaghetti. Voor het donker is heb ik gegeten, afgewassen en opgeruimd, want ik heb inmiddels geleerd dat de meeste menselijke activiteit in de bossen pas waar te nemen is als de zon net onder is. En dan wil ik dus zo min mogelijk herrie en licht maken. Die theorie klopt ook dit keer weer, want als ik al bijna niets meer zie hoor ik ineens overal stemmen en andere menselijke geluiden. Maar gelukkig word ik niet ontdekt.

Dag 259. Het is iets over 9 uur als ik de auto voor de ingang van Nxai Pan NP neerzet. Ik ben de eerste bezoeker vandaag en word heel vriendelijk ontvangen. Nog geen 2 minuten nadat ik aan de receptioniste opmerk dat ze ongetwijfeld veel Nederlandse bezoekers krijgen komt een blank echtpaar het kantoor binnenwandelen: Nederlanders. We komen elkaar gedurende de dag nog een aantal keer tegen. Tom en Aline hebben een jaar in Rwanda gewoond dus we hebben elkaar wel wat te vertellen.

Ik betaal de entree (slechts zo’n €15) en rijd het park in. Op mijn dashboard ligt een mooi plattegrondje waar de receptioniste duidelijk op heeft gemarkeerd welke route ik het beste kan nemen en welke paden beter te vermijden zijn. In feite zijn er 2 regio’s die het bezoeken waard zijn. Vanaf de ingang loopt er slechts 1 pad (pal noord) naar het centrale deel van het park, dat 35 km verderop ligt. Daar is een kantoor en er lopen vele paden langs verschillende waterholes. Halverwege de toegangsweg is een afslag naar het oosten die leidt naar Baine’s Baobabs: een groepje baobabs die beroemd geworden zijn vanwege een schilderij van Thomas Baines, een 19e eeuwse ontdekkingsreiziger en (uiteraard) schilder. Ik volg de suggestie van de receptioniste om hier pas op de terugweg langs te gaan en rijd dus de volle 35 km naar het centrale deel van het park. Onderweg zie ik niettemin al een olifant, giraffes, steenbokken en roofvogels. Het pad is niet erg best. De vele plekken met diep zand zijn opmerkelijk genoeg een verademing, want daar is de weg tenminste geen wasboord, waar de rest van de weg dat dus wel is. Alles trilt en schudt en pas later ontdek ik dat het brandhout op het dak is los getrild en ik er dus onderweg het een en ander van verloren heb.

Ik kom bij het kantoor tegelijk aan met Tom en Aline, daar zij de dieren onderweg niet gezien hebben en dus niet gestopt zijn. Tom stelt me wat vragen over rijden in 4WD terwijl Aline bij het kantoor informatie inwint over de rijcondities in dit deel van het park. De ranger vertelt ons dat vrijwel alle waterholes droog staan, omdat er al heel lang geen regen gevallen is. Dat is erg ironisch daar veel andere plaatsen in Botswana kampen met overstromingen. Maar ja, het is nu eenmaal een groot land… Hoe dan ook concentreert het meeste wild zich volgens de ranger bij de enige permanente waterhole in het park, maar die is eigendom van een dure lodge en daar mag je als niet-gast niet naartoe. Nou ja, we zien het wel. Ik bind het hout weer vast op het dak en rijd het echtpaar blijkbaar achterna, want even later zie ik ze onder een mooie baobab koffie drinken. Onderweg hebben we struisvogels gezien en zij een secretarisvogel, die ik helaas gemist heb.

De eerste waterhole die ik tegen kom staat inderdaad droog en de tweede is niet meer dan een vlak stuk grond. Overigens is het hele park enorm plat. Nxai pan is immers één van Botswana’s vele zoutpannen, hoewel je daar door alle begroeiing (met name gras) nauwelijks iets van ziet. Ik neem de afslag naar de lodge. Er staat nergens een bordje dat je er niet in mag dus rijd ik door. Op een gegeven moment rijd ik over een pad die niet op het plattegrondje staat en zelfs mijn GPS niet eens kent. De app Maps.me kent het echter wel en als ik op een T-splitsing kom, zie ik dat ik de keuze heb tussen rechts (eindeloos rechtdoor tot ver het park uit) of links (naar een airstrip). Het land is hier al vele kilometers bedekt met mopane struiken, die een dubbel blad hebben dat lijkt op de afdruk van een hoef. Sinds Malawi kom ik deze boomsoort heel vaak tegen, maar hier zelfs bijna exclusief Behalve heel veel verse olifantendrollen (sommige dampen nog na) is er van wild niets te merken. Op de splitsing lunch ik kort en rijd dan weer terug waar ik vandaan kwam. Na een aantal kilometers is een afslag naar de lodge en die neem ik, maar al gauw kom ik een safariauto van de lodge tegen. De chauffeur zegt me vriendelijk maar resoluut dat ik niet verder mag tenzij ik er wil overnachten. Dus keer ik maar weer om en rijd terug naar het dichtstbijzijnde kruispunt dat op het plattegrond staat.

Van daar rijd ik langs nog 2 uitgedroogde waterholes, en zie onderweg wat struisvogels, giraffes, wildebeesten en mijn eerste springbokken. Laatstgenoemde is zeer algemeen in dit deel van Afrika, maar ik ben ze nog niet eerder tegen gekomen. Er is nog een waterhole die permanent water zou moeten bevatten, omdat de rangers daar normaliter water in pompen, maar het is zo ontzettend droog dat er zelfs uit de pomp geen water meer komt. Toch, als ik daar aan kom, ligt er een kleine plas water met wat modder er omheen. Maar veel belangrijker nog zijn de 3 olifanten die zich lekker onderspuiten met het beschermende modder en slordig drinken van het kostbare water. Ik zet de auto op een veilig afstandje neer, zet de motor uit en blijf een tijdje kijken. In de verte zie ik een vierde olifant aan komen. Er is veel interactiviteit tussen de dieren, want er zijn 2 mannetjes bij die – getuige het enorme, bungelende apparaat tussen de achterpoten – grootse plannen hebben. Ik ben zo gefocust op het tafereel dat ik niet eens doorheb dat er naast mijn auto iets gebeurd. Tot ik geritsel hoor, door het rechter raam naar buiten kijk en zo in het linkeroog van een vijfde olifant staar die op nog geen 2 meter afstand van de auto aan het langs sjokken is! Dat is schrikken! Gelukkig trekt hij zich niets van mij aan en mengt zich in de groep. Er lijkt zelfs een vechtpartij te ontstaan, maar dat duurt maar kort.

Na een tijdje gefascineerd te hebben gekeken naar de modder spetterende, water lebberende en ruziënde mastodonten komt er een Landrover aanrijden. De bestuurder heeft een joekel van een camera op zijn portier gemonteerd en neemt ook stelling in bij de olifanten. Die zijn echter wat van hun stuk gebracht door de nieuwkomer en doen nu niet veel meer. Ik ga er dus maar weer vandoor, nadat ik bij de nieuwkomers geïnformeerd heb of zij nog iets bijzonders gezien hebben. Helaas niet.

Een kilometer of 10 verder kom ik het Tom en Aline weer tegen en we stappen gedrieën uit om onze route en gespotte dieren te vergelijken. Ook zij hebben niets bijzonders meer gezien en gaan nu richting de uitgang. Het loopt tegen 15 uur, maar ik wil nog een stukje door. Achteraf zinloos, want ik zie zelfs helemaal geen dieren meer op het stuk wat volgt. Wel moet ik de auto van heel wat extra krassen voorzien vanwege de vele acaciastruiken die over het pad groeien en met hun lange naalden hun handtekening achter laten. Ook moet ik een stuk offroad vanwege een omgevallen boom. Vervelender is dat door al het hobbelen en schudden het brandhout op het dak iedere keer los raakt. Aan het einde van de dag ben ik ongeveer de helft verloren! Tot 4x toe moet ik het dak op om het hout opnieuw vast te binden. Daar moet ik toch iets beters op verzinnen…

Eenmaal voorbij het kantoor is het weer 35 km terug naar de ingang, maar ik wil ook nog naar Baines’ Baobabs, dus halverwege sla ik af naar het oosten en neem de lange route (de korte route zou niet begaanbaar zijn, is me verteld) van 14 km naar het bomenbosje. Het is een prachtige rit door grasland dat door de ondergaande zon in vuur en vlam gezet wordt. Gezien het late tijdstip moet ik flink haasten, maar het pad laat dit gelukkig aardig toe. Vanaf een paar kilometer afstand zie ik ze al staan: een stuk of 10 baobabs, waarvan 4 enorm zijn. Ik parkeer de auto naast het groepje bomen en schiet de ene na de andere foto. In het licht van de ondergaande zon zijn de imposante bomen nóg indrukwekkender, zeker aangezien veel bladeren herfstkleuren hebben. Aan de andere kant van het bosje begint een grote zoutvlakte waar veel water in staat. Algengroei geeft de zoute, modderige substantie een rode gloed. Het is een schitterende plek en ik zou willen dat ik hier kon kamperen. Theoretisch kan dat ook, want er zijn hier een aantal plekken toegewezen als kampeerplek, maar daar moet je flink voor betalen en vooraf reserveren.

Nog geen 10 minuten heeft mijn bezoekje aan de mooie baobabs geduurd, maar ik moet gauw weer terug. Voor 18:30 moet ik het park uit zijn. Het is nu rond 17 uur en ik moet nog zeker een uur rijden. Eerst weer 14 km terug door het grasland en dan nog 17 km zuidwaarts naar de uitgang. Jazeker, 31 km kan hier makkelijk een uur duren! Op 10 km voor de finish verdwijnt de vuurrode zon achter de horizon en knip ik mijn lichten aan. Vier km verder moet ik het hout op het dak opnieuw vastzetten. Maar om 18:13 kom ik dan toch eindelijk bij de ingang. Net op tijd!

In de late schemering draai ik het asfalt op en zoef gemakkelijk verder door het donker. Verlichting kent de weg niet, maar er zijn wel reflectoren op aangebracht. Ik moet nog 65 km rijden naar Gweta, waar ik bij de Gweta Lodge wil overnachten. Over het asfalt vliegen de kilometers onder mijn wielen voorbij en in die gehele rit kom ik slechts 5 voertuigen tegen. Twee hiervan zijn vrachtwagens en beide rijden bizar genoeg op mijn weghelft! Met name de tweede houdt dit vol tot op nog geen 50 meter en slingert vervolgens zijn eigen weghelft op. Ik ben inmiddels al bijna tot stilstand gekomen en heb 1 hand klaar om te toeteren en 1 hand klaar om mezelf de berm in te sturen. Het wegdek is hier prima, dus daar komt het niet door. Idioten zijn het! De olifant die ik langs de weg aantref steigert als ik hem tot vlakbij ben genaderd en gaat er gauw vandoor. Kanarie vs. Olifant 1:0.

Ook in Gweta is nagenoeg geen straatverlichting, dus in het pikkedonker zoek ik naar de lodge. Die heeft gelukkig een reflecterend bord staan dus dat is geen probleem. De straten zijn bijna verlaten. Wat een enorme tegenstelling met oost en noord Afrika! Daar is het tot laat in de avond erg druk op straat in welke willekeurige dorp of stad dan ook. Er is nog plek voor me op de camping, wat niet meer is dan een parkeerterrein. Maar het is niet duur en het is laat dus ik vind het best. Douchen zit er alleen niet in, want men heeft de geisers niet aangezet en het is te koud voor een koude douche.

Dag 260. Stilte. Absolute stilte. Oorverdovende stilte. Ik hoor niets. Nou ja, ik hoor het suizen van het bloed in mijn hoofd en ik hoor mijn ademhaling. Soms vliegt er een insect langs en heel af en toe is er een zacht briesje. Maar verder is het doodstil op de Ntwetwe zoutvlakte. Geen vogels, geen auto’s of muziek in de verte, geen wind (op af en toe dat briesje na), niets. Wat een ervaring!

Terug naar vanochtend. Ik heb nog 2 dagen voor ik me mag melden bij het Central Kalahari Game Reserve (CKGR) en het is hier maar 1 dag rijden vandaan dus ik heb een dag over. Wat te doen? In eerste instantie besluit ik om er maar weer een klusdag van te maken, maar dat loopt anders!

Eén van de voornaamste redenen dat ik de nacht hier wilde doorbrengen is dat men hier – zo heb ik vernomen – goed op de hoogte is van de rijcondities van de zoutpannen Ntwetwe en Sua die hier ten zuiden liggen. Ik ben hard op zoek naar deze informatie want tot dusver heb ik die nog niet erg veel kunnen verkrijgen en ik wil graag naar deze zoutpannen toe. Bij de receptie word ik erg vriendelijk te woord gestaan, maar helaas weet men niet veel meer te vertellen dan ik al wist. Wel is men er zeker van dat Green’s Baobab en Chapman’s Baobab eenvoudig te bereiken zijn. Die liggen maar enkele tientallen kilometers van hier en vormen dus een mooi dagtochtje. Beide baobabs zijn genoemd naar Europeanen die er hun namen in gekerfd hebben, maar de reden om ze te bezoeken is hun schoonheid. Baobabs zijn van nature al erg fotogeniek, maar dit zijn 2 hele grote exemplaren en ze staan vrijwel eenzaam in het landschap. Dat wil ik dus graag zien!

Het plan voor vandaag veranderd dus onmiddellijk. Ik pak gauw al mijn spullen in, hoewel ik op dat moment nog voornemens ben om hier de komende nacht weer te verblijven. De reden dat ik niets achter laat is dat ik voorbereid wil zijn op het onwaarschijnlijke geval dat ik onderweg vast kom te zitten. De aanwijzingen van de receptioniste en mijn GPS volgend rijd ik al gauw een zandpaadje op en rijd door een savanne-achtig landschap, maar dan veel zanderiger. Hier en daar een koe en 1x passeer ik een verbouwereerd kijkend gezinnetje met een ezelskar, maar de rest van de dag kom ik geen mens meer tegen. Wauw! Ik stop even om mijn GoPro op de bumper te bevestigen voor een timelapse, en steek eerst een dropje in mijn mond. Krak zegt die als ik er op kauw. Gauw haal ik hem uit mijn mond en zie tot mijn grote frustratie dat er een vulling in steekt! Ja hoor, links achterin voel ik met mijn tong een holle kies. Shit! Niet weer hè?!

Het zandpad splitst zich talloze malen en ik gok maar een beetje welke ik nemen moet, maar mijn GPS blijft aangeven dat ik goed ga. De savanne gaat over in mopane bos, af en toe afgewisseld met grasland. Het is een geweldige rit. Het zand is nergens te diep en de wasbordstukken zijn te overzien. Ik volg recente bandensporen; dat is wel zo geruststellend. Na 24 km zie ik hem al staan: Green’s Baobab. Er staan wel andere bomen in de omgeving, maar die vallen in het niet met deze mega-boom! Er staat een hek omheen en klein informatiebord erbij. In de boom nest een gier. Het hek is eenvoudig te openen en het duurt dan ook niet lang voor ik de boomgigant aanraak. Er staan veel inscripties in, maar eentje uit 1885 (vermoedelijk die van Green) is inmiddels vele centimeters diep. Ook hier is geen mens te bekennen, hoewel ik wel een stem meen te horen uit de buurt van een kudde koeien die mijn kant op aan het lopen is. Ik ben dan ook al aan het kijken voor een mooi plekje om te wildkamperen vannacht. Ook al zie ik geen mensen, ze zijn er wel overigens, want regelmatig passeer ik een kraal of een andersoortige omheining.

Het is al tegen 12 uur als ik bij Green’s Baobab wegrijd in de zowaar door een bordje aangegeven richting naar Chapman’s Baobab. Volgens mijn reisgids moet die – met een omtrek van maar liefst 25 m! – nog veel indrukwekkender zijn. Als ik er na een kilometer of 10 aankom sta ik voor een teleurstelling. Nu pas zie ik op mijn GPS achter de naam van de boom staan: ‘(fallen jan. 2016)’. Inderdaad, deze enorme boom is omgevallen! Het is haast niet voor te stellen dat zo’n enorme dikke boom om kan vallen, maar als ik de restanten bekijk, zie ik dat hij in drieën gespleten is en dat de wortels nauwelijks de grond in gingen. Het lijkt haast wel alsof de boom los op de grond heeft gestaan! Feitelijk bestond de boom (volgens het begeleidende bordje) uit 7 stammen, dus waarschijnlijk is hij gewoon bezweken onder zijn eigen gewicht. En zonder diepe wortels om dat tegen te gaan… Maar triest is het wel. De boom was een nationaal monument en al zeker 500 jaar oud.

Hoe dan ook zijn de 3 enorme liggende delen zo dik dat ze alsnog ver boven me uit torenen. En overal steken kleine, jonge sprietjes uit de dikke bast. Hij leeft nog! Ik bekijk de boom uitgebreid en besluit vervolgens om te proberen naar Gabatsadi Island te bereiken. Bij Gweta lodge wist men niet of dat te doen is, daar dit eilandje (dat met name bekend is vanwege een bezoek van de Britse prins Charles) midden in de Ntwetwe pan ligt en bekend is dat daar op dit moment water in staat. Ach wat, ik ga het gewoon proberen. Ik volg trouw mijn GPS en de verse bandensporen die er op duiden dat ik niet de eerste ben dit seizoen om dit pad te nemen. Het landschap verandert erg vaak. Soms heb ik het idee dat ik door een enorm plantsoen rijd, want het gras lijkt gemaaid, maar even later kom ik weer in hoog, bruin gras terecht. Op een gegeven moment maken de vele struiken en bomen plotseling plaats voor puur grasland. Het land is hier volkomen vlak, op kleine heuveltjes en hier en daar een boom na.

Dan kom ik bij de zoutvlakte. Eerst een kleine uitloper, die ik al aardig indrukwekkend vind, maar dan het echte werk. Voor me ligt een schier eindeloze grijze vlakte, slechts onderbroken door enkele kleine verhogingen waar wat wat kaal gras op staat. De vlakte is bobbelig en gebarsten. Het is een dorre bedoening. De bodem kraakt en knispert onder mijn voeten. De bovenste laag lijkt overal los te liggen. Daaronder ligt een harde zandlaag. De bandensporen lopen door en de grond lijkt zo hard dat het veilig lijkt om door te rijden. Niettemin ben ik toch even van mijn stuk gebracht door de omvang van de vlakte en de onheilspellendheid die er van uit gaat. Dit wordt vooral gevoed door de vele waarschuwing die ik gehad heb over het rijden over een zoutpan. Het kleinste beetje vocht kan er al voor zorgen dat de zanderige onderlaag door het hoge zoutgehalte veranderd in een dikke cementachtige substantie waar de banden van je auto ingezogen kunnen worden. Jezelf hieruit bevrijden schijnt een ontzettend lastige zaak te zijn. Maar zolang er een vers bandenspoor loopt moet het toch wel veilig zijn. En dus rijd ik door. Niettemin houd ik de bodem angstvallig in de gaten en stap regelmatig uit om polshoogte te nemen.

Maar dan houdt het spoor ineens op. Vooruit zijn nog wel heel vaag de contouren van een heel oud spoor te zien, maar ook die is na enkele tientallen meters niet meer te onderscheiden. Ik sta aan het begin van een enorme vlakte zonder ook maar een plukje gras. Aan het spoor dat ik volgde is duidelijk te zien dat de maker ervan de auto heeft omgedraaid en is terug gereden. Terwijl ik in de schaduw van de auto lunch debatteer ik met mezelf wat ik nu zal doen. Ik loop verschillende rondjes met wijde bogen om de auto om te genieten van dit unieke landschap en om te kijken hoe stevig het is. Met de verrekijker zie ik bijna overal fata morgana’s aan de horizon. Zo ook verderop. Maar dat kan natuurlijk ook echt water zijn, want er zou immer water in deze zoutpan staan. Heel in de verte zie ik een wildebeest en zijn spiegeling in de hitte. Onderweg hierheen ben ik al een groep van deze imposante dieren tegen gekomen, evenals zebra’s en struisvogels.

De bodem lijkt overal keihard. Ik steek er zelfs de spade in, maar die komt niet ver. Het lijkt toch echt veilig. Mooi is het in elk geval zeker. Behalve de wildebeest in de verte en af en toe een vlieg is er geen enkel teken van leven te zien. Of te horen. Want het is doodstil. Zo stil dat je alleen het suizen in je hoofd hoort. Wauw! Wat een fantastische ervaring! Maar wat moet ik nou doen? Het is nog 8 km naar het eiland. Ik hak de knoop door en pak het kompas erbij. Zolang ik naar het zuiden blijf rijden moet ik dichterbij komen. Om de paar minuten (heel voorzichtig) rijden stap ik even uit om de bodem te testen. Het gaat prima en het rijden over een vlakte zonder het volgen van een spoor is een bevrijdende sensatie. Het gevoel dat je alle mogelijke richtingen op kan rijden op elk willekeurig moment is een fantastisch gevoel! Tegelijkertijd is het ook tamelijk hallucinerend want alles lijkt op elkaar en hoewel de zon en de GPS betrouwbare referentiekaders zijn, heb ik toch echt mijn kompas nodig om mezelf ervan te overtuigen dat ik nog steeds zuidwaarts rijd.

De bodem begint stroperig te voelen. Onmiddellijk stop ik en zodra ik een voet op de grond zet is het me duidelijk. Ik kan hier echt niet verder. Het is precies zoals me al omschreven was: een harde toplaag waar je makkelijk doorheen breekt en er onder een cementachtige modder. Met nog maar 6 km te gaan moet ik helaas toch echt stoppen. Was ik met nog een auto geweest dan zou ik nog wel door zijn gegaan misschien, maar ik ben maar alleen. Voorzichtig keer ik om en rijd over mijn eigen spoor weer terug. Dan gaat een stuk soepeler, daar ik zeker weet dat ik daarover geen gevaar loop. Het is een uur of 15 en hoewel ik nog wat twijfels heb besef ik maar al te goed dat ik deze kans niet mag laten glippen om hier te overnachten. Het feit dat ik de eerste ben in minimaal 5 maanden die hier overheen heeft gereden geeft aan dat ik geen menselijk bezoek hoef te verwachten en het onbelemmerde uitzicht in alle richtingen betekent dat ik eventueel menselijk of dierlijk bezoek al van verre aan kan zien of horen komen. Het enige echte risico is regen. Als het vannacht gaat regenen dan verandert deze harde kleilaag waarschijnlijk in een modderige val waar ik waarschijnlijk dagenlang in vast zal zitten. Maar de kans dat het gaat regenen is vrijwel verwaarloosbaar, dus ik waag het er op. Ik rijd van mijn eigen spoor af en ga een stukje naar het oosten, tot ik over een paar meter bodem rijd waar de wielen een stukje in wegzakken. Dat is voor mij het teken om te stoppen, hoewel de bodem hierna weer hard is. Ik zet de auto zo neer dat ik er de meeste schaduw van heb (in de schaduw is de temperatuur echt zalig) en rol de luifel af langs de zonnige zijde om die een beetje te beschermen tegen de hitte. Dat blijkt erg goed te werken. De droge landschappen waar ik sinds Maun door ben gereden hebben helaas wel tot gevolg dat ik iedere middag weer wat tijd kwijt ben om het slaapgedeelte van de auto enigszins te ontdoen van een nieuwe stoflaag. Zo ook hier.

Tegen de avond kook ik alsof ik op de normaalste plek van de wereld sta en perfect op tijd neem ik plaats om mijn diner op te eten met uitzicht op de ondergaande zon. Wat een supermooie plek! Zodra de zon achter de horizon is en ik mijn eigen lichtje aanknip word ik bestookt door vele nachtelijke insecten, waarvan sommige fel oplichtende oogjes hebben. Ik krijg geen seconde rust en kan niet fatsoenlijk aan mijn verslag werken. Ik geef het dan ook al gauw op en bereid me voor op de nacht. Maar voordat ik de auto inkruip bewonder ik eerst een tijdlang de weergaloze sterrenhemel. De maan is nog niet op en aan de horizon is slechts af en toe één enkel lichtje te zien. Niettemin kan ik nog redelijk wat zien, puur door het licht van de ontelbare sterren. Wauw en nog eens wauw! Nadat ik wat pogingen ondernomen heb om foto’s te maken kruip ik voldaan mijn auto in. Tegen de tijd dat ik het licht uit doe is de maan opgekomen. Ik verwijder het gordijn van het raampje naast mijn hoofd en val meer dan gelukkig in slaap bij het licht van een bijna volle maan die zijn kille licht op de grijze vlakte doet weerkaatsen.

2 gedachtes aan “Dag 256-260 (9-13 mei): Topdagen in de moerassen van de Okavango, Nxai NP en de zoutvlaktes van Ntwetwe

  1. Patricia

    stoer zeg dat je die zoutvlakte bent opgegaan en er zelfs hebt overnacht! en je hebt zelfs je kompas gebruikt; geeft dan toch wel een fijn gevoel hè?
    prachtig ook die baobabs

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.