Dag 206-210 (20-24 mrt): Regen in Malawi en de grens over met Zambia

Dag 206. Duizeligheid alom, ook deze morgen. En regen, heel veel regen. Het komt met bakken uit de hemel en ondanks dat de grond verbijsterend veel absorbeert wordt het zo langzamerhand toch modderig. De douches zijn donker en koud, dus die laat ik links liggen hoewel ik me inmiddels erg vies voel. Modder en zweet, want het is ook de hele nacht vreselijk benauwd geweest. Het leek wel een sauna in de auto. Gelukkig wordt het weer eventjes (bijna) droog als ik mijn kampje opbreek.

Het plan voor vandaag staat eigenlijk nogal open. Ik wil nog een tijdje in het park rondrijden, maar met al die regen belooft dat weinig goeds. Verder wilde ik eigenlijk doorrijden naar Lilongwe, maar dat is bijna 400 km hier vandaan en de combinatie is teveel voor 1 dag. Tegen het einde van de ochtend hoor ik een vreemd geluid bij het remmen. Ik vermoed dat een remblok versleten is. Een bezoekje aan de garage zou dus handig zijn. Ik heb met een Duits koppel afgesproken elkaar ergens in Malawi te ontmoeten om ervaringen uit te wisselen, want zij rijden mogelijk noordwaarts dezelfde route is als ik. Tot slot kom ik er deze ochtend ook pas achter dat er eigenlijk maar 1 weg naar Lilongwe is vanaf hier, en dat is terug via Blantyre. Ik heb dus wat om over na te denken…

Maar eerst het park. Ik zoek de plek op waar volgens de groep Nederlanders gisteren en eergisteren leeuwen zaten, maar vang opnieuw bot. Dan rijd ik verder het park in, om me te wagen aan de 4×4 tracks. Onderweg trap ik hard op de rem wanneer ik in mijn ooghoek een mannetjes olifant in de bosjes zie staan op een meter of 20 afstand. Ik rijd een stukje terug om hem beter te bekijken, maar omdat hij steeds dichter bij komt, ga ik er al gauw weer vandoor. Ik schiet een 4×4 track in waar ik gisteren verse bandensporen zag lopen. Als iemand anders hier gisteren geweest is, dan moet het mij ook lukken, nietwaar? En ja hoor. Het pad stelt niet veel voor. Ja, er zijn een HELEBOEL overhangende takken die de kanarie iedere keer vol op zijn snufferd krijgt, maar het pad is niet beter of slechter dan de hoofdpaden. Veel dieren zie ik niet. In elk geval niets anders dan impala’s en waterbokken.

Teruggekomen op een hoofdpad sla ik een stukje verderop weer een 4×4 pad in. Eentje waarvan me expliciet gezegd was die vooral niet te doen. Maar omdat dit pad toegang biedt aan een reeks andere paden, probeer ik het toch. Voorzichtig. Maar ook dit pad is geen probleem. Toch keer ik na enkele kilometers om, want inmiddels ben ik tot een besluit gekomen: ik ga vandaag niet verder dan Blantyre en zoek daar de Toyota dealer op. Daar was ik eerder al langs gereden en het zag er professioneel uit. Bovendien hebben ze geen vestiging in Lilongwe en daarna zal het pas in Lusaka (Zambia) kunnen. Hopelijk ben ik nog op tijd om vandaag geholpen te worden. Dat scheelt weer een hoop tijd. Maar jammer genoeg schiet de weg terug niet erg op. Omdat ik weer over die hele steile weg moet – dit keer naar boven uiteraard – kan ik opnieuw genieten van de schitterende uitzichten en ploppende oren.

De Toyota dealer is inderdaad een zeer professioneel bedrijf. Alles staat netjes aangegeven, alles staat in het teken van veiligheid, elk detail wordt genoteerd, tot en met het motornummer aan toe. Ze zijn zo zorgvuldig dat het alleen al een half uur duurt voor ik door de registratie heen ben. Vandaag gaat het niet meer lukken om aan de auto te werken, maar morgenochtend is geen probleem. Ze zullen me zelfs vooraf een prijsopgave geven.

Dan een overnachtingsplekje zoeken. De ‘camping’ van eervorige nacht staat me niet zo aan, dus ik probeer een alternatief. Een camping die een stuk dichter bij de dealer ligt en als het goed is een warme douche heeft. Onderweg rijd ik langs de Carlsberg bierfabriek. Die is zo beroemd dat hij zelfs in de reisgids vermeldt staat. Carlsberg is dan ook een begrip in Malawi. De reclameborden staan overal en het wordt rijkelijk verkocht. Eén probleempje: de fabriek staat in brand! De grote, dikke rookwolken zijn al van ver te zien en er staat veel volk omheen om te kijken en foto’s te maken. De volgende ochtend staat het nieuws levensgroot op de voorpagina van de belangrijkste krant van het land (The Nation).

De warme douche wordt me bij aankomst inderdaad beloofd, maar helaas opnieuw niet waargemaakt. Malawi (hoe geweldig ook!) staat bij mij inmiddels berucht om de loze warme douche-beloftes. Kamperen vindt plaats in een kleine tuin die redelijk drassig is van alle regen van de laatste tijd. Het is nu droog gelukkig. Met wat moeite en een paar stenen vind ik een horizontaal plekje en rust even uit terwijl ik aan m’n verslag tik. Drup, drup, drup. Shit. Het regent weer. Gauw probeer ik de luifel op te zetten, maar kom er dan pas achter dat ik de auto te dicht bij een paal gezet heb, waardoor de luifel niet meer helemaal open kan. Ik improviseer wat terwijl het steeds harder gaat regenen. Ineens houdt het op met zachtjes regenen en vind een nieuwe zondvloed plaats. Alle hemelkranen gaan open en in mum van tijd sta ik tot mijn enkels in de blubber. Alles wordt vies en nat. Het is inmiddels ook donker aan het worden en oh ja, het onweert ook nog. Wat een ellende. Een tijd lang schuil ik achter het stuur. Als het iets rustiger wordt met de regen warm ik gauw een blik eten op. Ik ga niet koken in deze ellende. Staand eet ik het prakje direct uit de pan op en ruim gauw alles op. Nadat ik alles een beetje gereed heb voor de nacht beproef ik de douche, die dus flink tegenvalt. Niettemin is het de eerste douche in 4 of 5 dagen, dus ik ben nu wel lekker schoon. Het is pas 20 uur als ik in de auto kruip. De rest van de avond blijft het gieten.

Dag 207. De volgende ochtend is het gelukkig droog. De blubber is er natuurlijk nog steeds en alles wat ik buiten heb laten staan is ermee bespat. Na de pech van gisteren ben ik blij dat ik vanmorgen de mazzel heb dat het pas weer begint te regenen als ik alles ingepakt heb en in de auto zit, op weg naar de Toyota dealer. Daar moet ik gek genoeg opnieuw alles laten zien: kilometerstand, dieselstand, brandblusser, driehoek, krik, etc. En dat zelfs 2 keer! Omdat alles gisteren al was genoteerd ging ik er van uit dat het nu een stuk sneller zou gaan, maar opnieuw ben ik ruim een half uur kwijt aan de bureaucratie. Maar goed, dit is Afrika, dat hoort er nu eenmaal bij. Ik vraag of ik in de buurt mag blijven tijdens de werkzaamheden, maar dat mag echt niet (‘veiligheid staat voorop’). Vanuit de wachtruimte kan ik er gelukkig wel enigszins op uitkijken.

Ja, ze zijn zo professioneel dat ze stipt op tijd gaan lunchen, ook al is de auto bijna klaar. Al met al ben ik alleen niet de verwachte paar uur kwijt, maar bijna de hele dag! Die tijd heb ik nog wel enigszins nuttig kunnen besteden door me in te lezen op het volgende land, Zambia. Ook werk ik nog wat aan m’n verslag en foto’s. Wat m’n eigen lunch betreft beperk ik me tot wat appels. Meer heb ik niet bij me. Gedurende de dag overleg ik via Whatsapp met het Duitse koppel over waar en wanneer we elkaar ontmoeten. Zij zijn in Lilongwe en willen naar Blantyre en ik precies andersom. Maar omdat ik tot het begin van de middag nog de ijdele hoop heb dat ik vandaag nog kan gaan rijden, veranderen de plannen telkens. Uiteindelijk is het te laat voor mij om nog op weg te gaan, dus spreken we af om elkaar morgen onderweg te ontmoeten.

Zorgvuldig zijn ze wel, bij de garage. Niet alleen wordt de stoel tijdelijk bekleed met plastic, maar ook het stuur en zelfs de handrem en versnellingspook. Daarnaast doen ze 2 testritten en stellen tussendoor e.e.a. bij. Paranoïde als ik ben raak ik iedere keer in milde paniek als iemand er met mijn auto vandoor gaat. Gelukkig komt hij iedere keer weer terug en aan het eind van de dag is er – zover ik kan nagaan – niets gestolen of zelfs maar verplaatst. Sterker nog: halverwege de dag komt een monteur aan me vragen of ik de auto even open kan doen omdat ze de remmen willen testen. En dat terwijl de deur al de hele dag open was! Betrouwbaar volkje dus.

Ik ben blij dat ik met credit card kan betalen, want ik voel er niks voor om er weer op uit te gaan om geld te pinnen. Te meer omdat pinautomaten niet meer dan ca. 50 of 100 euro per keer uitgeven. De dame bij de servicebalie lijkt wat chagrijnig, maar stelt me bij iedere gelegenheid nieuwsgierige vragen over mijn reis. Ze kan maar niet bevatten dat ik zoiets in mijn eentje onderneem. Tja, ik soms ook niet…

Als ik om een uur of 15 de poort eindelijk uit rijd, ga ik eerst langs even langs een Chipiku Superstore: een grote, lokale supermarkt. Ik heb gehoord dat ze daar hele praktische en betaalbare LED lampjes verkopen die op zonne-energie werken. Ik heb ze bij FloJa Foundation voor het eerst gezien en inderdaad verkopen ze ze hier. Tot mijn vreugde zie ik dat ze veel meer nieuwe dingen verkopen die ik kan gebruiken of eens wil proberen (en dan heb ik het over levensmiddelen).

Tja, waar te overnachten. Beide campings in Blantyre zijn me niet erg goed bevallen, maar een alternatief weet ik niet te vinden, dus ga ik toch maar weer naar de eerste camping toe. Daar heb ik in elk geval meer ruimte en dan kan ik meteen die sleutel van de damesbadkamer terug geven. Ik rijd de poort binnen en zet de auto trefzeker op dezelfde plek als eerdaags geleden. Verschillende mensen zien me binnen rijden en sommigen zwaaien zelfs terug. Ik verwacht dus dat er ieder moment iemand naar me toe zal komen om het geld te innen en de sleutel te claimen. Maar zelfs nu, om 19:15, is er nog niemand komen opdagen. Een receptie is er ook niet. Ik doe toch echt niet zachtjes en maak veel licht in het donker, maar niemand komt. Nu ben ik blij dat ik die sleutel nog had! En blijkbaar heeft niemand hem gemist, want het slot is niet vervangen of opengebroken. Nou ja, ze zoeken het maar uit. Misschien dat er morgenochtend wel iemand langs komt…

Dag 208. Maar nee hoor, ook ‘s ochtends komt er niemand langs om geld te innen of de sleutel op te halen. Pas als ik helemaal klaar ben voor vertrek zoek ik nog maar eens of ik iemand kan vinden die mijn geld wil hebben. Dat moet niet al te moeilijk zijn, toch? Nou, dat wil zeggen, ik heb wel meer succes, omdat ik wat mensen vind, maar die zijn niet van de organisatie. Ze willen desondanks de sleutel wel in ontvangst nemen, maar omdat ze niet van de organisatie zijn vertrouw ik ze het geld niet toe. Ze vragen er ook niet om. Ik geef ze de sleutel en zoek nog even verder, maar vind niemand om het geld aan te geven. Ik geef het op, ze bekijken het maar. Even later rijd ik de poort uit. Misschien niet helemaal eerlijk, maar kom op zeg, ik heb me toch bepaald niet verborgen of zo, en genoeg moeite gedaan om iemand te vinden. Daarbij hebben ze nagenoeg geen kosten aan mij gehad. Ik heb immers alleen een wc en wat water gebruikt.

De reis gaat vandaag naar Lilongwe, hoofdstad van Malawi. Maar onderweg zal ik dus Tanja en Stefan ontmoeten, het Duitse stel waar ik eerder over sprak. Hoe ik die heb leren kennen? Tja, onze paden kruisten elkaar. Letterlijk. Ik was in Nyika NP op weg naar de uitgang toen zij me in hun witte Landrover tegemoet reden. We zwaaiden naar elkaar maar reden wel door. Die zelfde avond kreeg ik echter een Whatsapp berichtje van ze. Zij hebben namelijk ‘s avonds gekampeerd op de camping van het park, waar Angela en Gareth, het Britse stel waar ik de avond en ochtend mee heb zitten kletsen, ook nog zaten. Ik had hun mijn visitekaartje gegeven en zo kwamen Tanja en Stefan aan mijn telefoonnummer! Zij zijn (net als Angela en Gareth overigens) aan het rondreizen door zuidelijk Afrika, maar overwegen om door te rijden naar Duitsland. Aangezien ik net uit die richting kom, willen ze me graag wat vragen stellen. Op mijn beurt kan ik natuurlijk weer nuttige informatie van hun krijgen, maar bovenal is het natuurlijk gewoon hartstikke leuk om andere overlanders te ontmoeten.

De rit naar Dedza, de plaats waar we hebben afgesproken, verloopt vlotjes. Er is een prima asfaltweg en ik kan meestal 80 km/u rijden. Het is wel een heel eigenaardige route, want de weg loopt voor een groot deel vlak langs de grens met Mozambique. En als ik zeg ‘vlak langs’ dan bedoel ik dat ook. Op veel plekken is de linkerberm Mozambique en de rechterberm Malawi. De betonnen grenspaaltjes bevestigen dat. Maar verder is er niets wat er op wijst. Geen hek, geen muur, geen grenswachters, geen natuurlijke barrière, niets. Het is dus kinderlijk eenvoudig om hier illegaal de grens over te steken, hoewel de weg hier wel behoorlijk druk is en je zoiets dus nauwelijks ongezien kan doen, zeker in een kanariegele auto. Wat me trouwens ook opvalt is dat de mensen hier tamelijk ‘uitgesproken’ zijn. De kinderen gillen weer als ik langs rijd en veel volwassenen roepen me ook van alles na. Tot dusver is me dat in Malawi nog maar nauwelijks overkomen.

Om 13 uur kom ik aan bij de Dedza Pottery & Lodge, waar Tanja en Stefan afgelopen nacht gekampeerd hebben. Een mooi plekje! We treffen elkaar in het restaurant, waar we meteen wat bestellen. We kletsen de rest van de middag aan één stuk door. Gelukkig kan ik hen van heel veel informatie voorzien en hebben ze ook wat interessante informatie voor mij. Maar zoals gezegd, het is bovenal gewoon ontzettend leuk om andere overlanders te ontmoeten en het is dan ook heel gezellig. We besluiten de ontmoeting door onze auto’s te bewonderen. Ik vind het erg leuk dat zij, meer nog dan ik, gekozen hebben voor een inrichting die zo simpel en goedkoop mogelijk is. Geen dure gadgets, geen uitgebreide ladesystemen. Wel een heel ingenieuze douche aan de zijkant van de auto, die zelfs warm water geeft!

Gistermiddag meldde Katja en Stefan om 17 uur dat ze nog van Lilongwe naar Dedza moesten rijden. Daarop reageerde ik verbaast dat ze dus in het donker moeten rijden. Of dat nou wel zo verstandig is. Maar zij redeneerden dat het maar 70 km is en dus in een uurtje te doen. Ik dacht toen nog bij mezelf: dat zou ik nou nooit doen, zo laat nog gaan rijden! Maar je raad het al: vandaag doe ik precies hetzelfde! Als bij stom toeval nemen we om stipt 17 uur afscheid en ga ik op weg naar Lilongwe. Ja, ik moet er zelf ook wel om lachen, maar dat vergaat me op het moment dat ik in het donker de spits in rijd. Er is geen wegverlichting en er hangt ook nog eens rook over de weg. Met de allergrootste voorzichtigheid rijd ik door de hoofdstad, op zoek naar de camping, bij een golfclub. Die bereik ik gelukkig zonder kleerscheuren. De camping stelt niet veel voor en opnieuw ben ik de enige gebruiker, maar het kan me niets schelen. Het is toch al donker. Snel maak ik (opnieuw) een eenvoudige maaltijd en geniet daarna nog een tijdlang van het uitstekende weer. Het is windstil, droog en niet al te fris. En ondanks dat we midden in de stad zitten, is het tamelijk rustig hier.

Dag 209. KRRRRRAAAAAKK! Wees gerust, dit is niet het geluid van een cruisecanary in nood. Nee, dit is het geluid van de gigantische donderslag die direct volgde na de felle bliksem die zojuist vlakbij insloeg. Ik schat dat hij nog geen 50 m van mij vandaan insloeg. Wat een klap!

Maar goed, dat is pas vanmiddag. De ochtend wordt echter pas interessant als ik de golfclub achter me heb gelaten, Lilongwe uit ben (zelden heb ik zo weinig van een hoofdstad gezien!) en ca. 100 km afgelegd heb richting grens. Met nog een kilometer of 15 te gaan kom ik bij de zoveelste politiepost. Normaal gesproken in Malawi geen probleem, maar dit keer loopt het anders. De man is niet onder de indruk van mijn vriendelijke ‘goede morgen’. Hij vraagt om mijn rijbewijs en vervolgens wil hij weten wat er in mijn portemonnee zit! Er volgt een lang dialoog waarbij hij van alles probeert om mij angst aan te jagen. Ik wil niet zeggen hoeveel dollars ik heb, waar hij boos over is. Hij zegt bovendien dat je geen dollars zou moeten gebruiken in Malawi, maar kwachas. Dan zegt hij dat ik geen Malawiaanse kwachas het land uit mag nemen. En zo verzint hij iedere keer wat nieuws. Ik blijf beleefd maar stellig in mijn positie dat ik niets illegaals doe en dat hij geen reden heeft om me aan te houden. Ook al weet ik dat ik volledig in mijn recht sta en dat hij een blufspel speelt, toch gieren de zenuwen door m’n lijf, want de agent komt heel fel uit de hoek en klinkt best overtuigend. Maar ik doe mijn uiterste best om daar niets van te laten merken. Dan moet ik maar mee naar het bureau, zegt hij. Prima, zeg ik, doen we dat toch? Shit, denkt hij. Hij doet er een schepje bovenop: ik moet morgen voor de rechter verschijnen. Ah, die heb ik al eens eerder gehoord. Geen probleem, zeg ik, doen we. Shit, denkt hij. Ik merk aan zijn houding dat ik aan het winnen ben. Hij is door zijn trucjes heen en zwaait een beetje besluiteloos met mijn rijbewijs. Als hij die in een onbewaakt ogenblik per ongeluk ruimschoots mijn kant op houd, pak ik hem rustig uit zijn handen en stop hem meteen weg. Dat breekt zijn stilte. Hij probeert het nog één keer. Dus je hebt niets illegaals in je auto, vraagt hij, terwijl hij me zo indringend mogelijk aankijkt en bijna door de zijraam naar binnen leunt. Nee, antwoord ik resoluut. Hij geeft het op. ‘Okay, nice to meet you,’ zegt hij terwijl hij me de hand wil schudden. Ik antwoord het zelfde en rijd gauw weg.

Letterlijk nog geen 50 meter verderop staat nóg een politiepost. En ja hoor, weer moet ik langs de kant. Weer mijn rijbewijs en verzekeringsbewijs laten zien. Het is een norse man. Hij loopt naar de achterkant van de auto en eist dat ik mijn remlichten en achteruitrijlichten toon. Die werken natuurlijk gewoon, dus dat is geen probleem. Dan gebeurt er iets grappigs. Hij loopt terug naar mijn portier, werpt een lange blik naar de vorige politiepost, knikt kort in dezelfde richting en geeft me mijn papieren terug. Ik mag gaan. Vermoedelijk kreeg hij van zijn collega bij de vorige post het signaal van ‘laat maar, bij hem valt niets te halen.’

Ook weer overleefd. Op naar de grens! Ik zet me schrap als ik de gebruikelijke grenschaos weer nader. Overal vrachtwagens, fixers, geldwisselaars en ander volk. Nergens aanwijzingen. Eén geldwisselaar heeft me zelfs de laatste ca. 300 m achterna gerend! Hijgend staat hij naast m’n auto terwijl ik uitstap. Als het even kan wissel ik geen geld bij deze jongens, want meestal betaal je geen goede wisselkoers en soms is het illegaal om buiten geldwisselkantoren of banken geld te wisselen. Bovendien wil ik geen kostbare dollars kwijt. Liever haal ik dus geld uit de muur.

Het grenskantoor voor Malawi is redelijk snel gevonden. Zowel douane als immigratie zitten in hetzelfde gebouwtje en ik ben in mum van tijd klaar. Nog geen 100 meter verderop zit het kantoor van Zambia. Er staat wel een bord ‘Welcome to Zambia’ maar er is geen hek, slagboom of wat dan ook. Er is zelfs niemand die mijn papieren controleert. Dat vind ik wel best, want ik heb geen road tax betaald in Malawi! Bij het binnenrijden in Malawi is niemand er over begonnen tegen mij en onderweg heeft niemand er naar gevraagd. Zelfs nu, bij het verlaten van Malawi, maalt niemand er om, schijnbaar. Mooi zo, dat scheelt weer een paar tientjes!

Ik zet de auto weer aan de kant, waarbij ik alle ‘aanwijzingen’ van wannabe fixers volkomen negeer en loop naar het grenskantoor van Zambia. Ook hier zitten de loketten vlak naast elkaar. Voor het visum moet ik 50 dollar dokken, maar dat wist ik van te voren. Kwestie van betalen, even wachten en dan hoor ik het geruststellende geluid van de stempel die met een knal op mijn paspoort belandt. Klaar. Bij de douane moet ik even wachten tot iemand me te woord staat. De man vertelt me dat ik 275 Zambiaanse kwachas (ZKW) moet betalen voor de carbon tax. Dat klopt ongeveer met wat ik vooraf gehoord heb van andere overlanders. Het punt is dat – i.t.t. het visum – er hier alleen met ZKW betaalt kan worden. En de enige pinautomaat in de buurt is niet internationaal, dus daar heb ik niets aan. En dus moet ik toch maar naar de geldwisselaars. De rennende man staat me met een groep collega’s op te wachten. Ik wil 300 ZKW hebben, maar hoewel die ca. 30 dollar waard zijn, wil hij er 60 dollar voor hebben! Hij weet natuurlijk donders goed dat ik geen enkele andere keuze heb, dus dat buit hij uit. Ik confronteer hem er mee, maar zowel hij als zijn collega’s ontkennen dat glashard. Na ongeveer een half uur onderhandelen ben ik nauwelijks opgeschoten en betaal uiteindelijk – morrend en vloekend – 50 dollar. Daar gaat mijn meevallertje van net!

Terug bij de douane geef ik de man het geld en mijn carnet en wacht vervolgens een hele tijd. Er is een probleem met het computersysteem, komt hij me na een tijd melden. Maar enkele minuten later komt hij weer terug en geeft me het geld en de carnet terug, waar hij een opmerking in heeft geschreven dat ik het geld voor de carbon tax nog moet betalen vanwege een ‘system failure’. Ik hoop maar dat de politie daar onderweg niet moeilijk over gaat doen. En minstens net zo vervelend is dat ik me dus niet voor zoveel geld had hoeven laten afzetten door die geldwisselaars! Grrrrr!

Niettemin heb ik wel wat ZKW nodig, want ik moet ook nog een lokale belasting betalen. Ook dat had ik vooraf al vernomen. Ik moet daarvoor naar een ander kantoortje. Het is slechts 40 ZKW (4 euro) dus dat valt mee. Tot slot moet ik ook nog de road tax betalen. Weer een ander kantoortje. Twee zelfs, want als ik het zeer officieel uitziende document in handen krijg, wordt er bij vermeldt dat ik naar het kantoor ernaast moet om het te laten registreren. Deze bureaucratie begint op Egypte te lijken! De road tax kost me 20 dollar, zoals ik al verwacht had. Al met al had ik dus maar 40 ZKW nodig. Als ik alleen dat had gewisseld, was ik veel minder geld kwijt geweest aan die oplichters. Maar goed, ik heb – als het goed is – nu alles, dus ik kan er vandoor. De wisselaars blijven me bestoken met wisselvoorstellen, maar ik PEINS er niet over om nog iets te wisselen bij die oplichters. Wanneer ik de weg op draai verwacht ik ieder moment dat er iemand op me af komt om papieren te controleren, maar nee hoor, ook hier niet. Ik moet alleen een ‘gate pass’ aan een man overhandigen, waarna die een pion weg haalt. Die ‘gate pas’ is een opgevouwen A4-tje met wat nietjes er in en de tekst ‘gate pass’ er met potlood opgeschreven.

Ook onderweg (over de prachtige, nieuwe asfaltweg) is er geen checkpoint. En dus bereik ik rond lunchtijd de eerste stad, Chipata. Daar is een winkelcentrum met een Spar, luxe winkels en een paar banken. Bij de eerste bank moet ik een tijd in de rij staan en vang uiteindelijk bot, maar bij de tweede bank heb ik wel succes. Ik krijg 4000 ZKW voor 396 euro. Dat is nog eens wat anders dan 300 ZKW voor 50 dollar/euro! Ik heb niets nodig bij de supermarkt, maar wandel er toch even doorheen en koop toch nog wat afwasmiddel en druiven. Druiven! Die heb ik sinds Griekenland niet meer gegeten! Ze waren sinds Kenya wel te koop in de grote supermarkten, maar voor bijvoorbeeld 15 euro per 500 gram. Hier kost 500 gram blanke druiven slechts 2,60 euro.

Ik loop terug naar de auto om mijn boodschapjes te dumpen en wat te lunchen, maar net als toen ik de auto parkeerde word ik opnieuw belaagd door kinderen die op mijn auto willen passen, vrouwen die groente en fruit verkopen (ik koop wat worteltjes) en zelfs een man die me een biljet van 50 Egyptische pond laat zien en aan me vraagt of dit valide geld is. Ik moet lachen en vraag hoe hij daar in vredesnaam aan komt. Het antwoord is niet erg duidelijk. Ik laat hem weten dat het absoluut valide geld is en dat hij maar eens bij een bank moet proberen om het te wisselen.

Na een tijdje heb ik alle aandacht wel weer eventjes afgeschud en eet mijn lunchpakketje op terwijl ik mijn Zambiaanse sim-kaart (wederom dank, Martine en Andrew!) uitprobeer. Die werkt gelukkig nog. Ik koop in de betreffende winkel wat internettegoed. Daarna laat ik beide tanks volgooien met diesel. De afstanden zijn groot in Zambia en er zijn naar verluid weinig kansen om te tanken, dus ik neem geen risico. Ik heb een leuk praatje met de goedlachse pompbediende, die zijn vrienden erbij roept als ik hem desgevraagd vertel over mijn reis. Tot mijn verbijstering kan ik met credit card betalen! Dat is ook al sinds Griekenland niet meer voorgekomen.

Het is rond 14 uur. Ik zou nog kunnen door rijden naar Mfuwe, waar Heroen over een paar dagen aan zal komen, want de weg is volgens de mannen bij de pomp helemaal geasfalteerd. Maar er is een camping hier vlakbij die goede recensies krijgt en de helft goedkoper is dan de campings bij Mfuwe. Het is inderdaad een heel aardige camping, gerund door een jong Italiaans stel. Al sinds ik de grens over ben vallen er zo nu en dan hevige buien en dat is nu nog steeds zo. Gelukkig kan ik de auto wel rustig in de droogte een plekje geven en een tijdje praten met een Canadees die dezelfde route als ik gedaan heeft, maar dan vanuit Praag… en op de fiets! Ik vraag hem onder meer hoe hij Ethiopië overleeft heeft. Dat brengt heel wat teweeg bij hem. Vreselijk land, zegt hij. Hij is bekogeld met stenen, geslagen met stokken onderweg en regelmatig gingen er zelfs kinderen aan zijn fiets hangen terwijl hij gewoon langs reed, om hem tot stilstand te dwingen! Vooral op die momenten is er van alles van zijn fiets gestolen. Op een gegeven moment heeft hij het opgegeven en heeft de bus naar de grens met Kenya genomen. Ik kan het me levendig voorstellen!

Ik wil wat water filteren, maar net op dat moment breekt er een gigantische stortvloed uit, waarbij eerder genoemde blikseminslag (en anderen) plaatsvind. De bui duurt dit keer zo lang dat alles weer vies en blubberig word. Bah, ik ben die regen nu echt wel zat! Ik ben dan ook ontzettend blij dat ik eten besteld heb in het kleine restaurant. Door de stromende regen ren ik er om 19 uur naartoe en laat me de verse lasagne goed smaken. Intussen kijk ik toe hoe Andrea, de Italiaanse manager, carrom (een Oosters bordspel) speelt met een gast. Na het eten praat ik nog een tijdje met de betreffende gast (wiens naam me ontschoten is) en de fietsende Canadees (idem dito). Hoewel eerstgenoemde geen reiziger is (hij woont en werkt al bijna zijn hele leven in Zambia), bedenken we gedrieën manieren om nog op te vallen tussen alle originele wereldreizigers van de laatste decennia. Achteruitlopen naar India wordt bijvoorbeeld genoemd.

Dag 210. Tot ik ga slapen blijft het keihard regenen. Buiten is alles modderig, maar tot mijn genoegen moet ik constateren dat ik die modder goed buiten weet te houden. En terwijl ik een filmpje lig te kijken is het kletteren van de regen op het dak van de auto stiekem best knus. Ik ben in elk geval blij dat ik niet in een daktent slaap. Zeker niet die van Tanja en Stefan, want zowel hun auto (niet voor niets bijgenaamd ‘Leaky Luke’) als hun daktent lekken behoorlijk.

Bij het ontwaken is het eindelijk droog en hemelzijdank blijft dat ook zo tot ver in de middag. Zolang blijf ik hier echter niet, hoewel ik het rustig aan doe en pas om een uur of 10 vertrek. Dat komt vooral omdat ik nog een tijdje met Andrea blijf praten. Hij is nieuwsgierig naar mijn satelliettelefoon en ik naar het verhaal over hoe hij en zijn vrouw hier beland zijn.

Eerst rijd ik terug naar het winkelcentrum en doe boodschappen. De komende dagen ben ik bij South Luanga NP en daar is bijna niets te krijgen. Bovendien komt Heroen over een paar dagen en hij wil vast ook wel iets eten en drinken. 🙂

Daarna begeef ik me op weg naar Mfuwe, dat 130 km naar het noordwesten ligt. De (asfalt)weg is af en toe niet geweldig, maar over het algemeen prima. Na enkele tientallen kilometer is het aantal gebouwen en mensen langs de weg enorm afgenomen. Ten opzichte van Malawi en een aantal andere landen ervoor een enorm verschil. Zambia is dan ook aanzienlijk dunner bevolkt dan die landen. Niettemin geldt ook hier dat het bijna niet voorkomt dat er geen mens in zicht is. Het rijd wel lekker door, want zelden hoef ik af te remmen voor dorpjes en kan dus meestal de 80 km/u aanhouden. Onderweg koop ik voor het absurd lage bedrag van 9 ZKW (90 eurocent!) ongeveer een kilo tomaten. Ik geef een briefje van 10 MKW; ‘keep the change’ zeg ik heel royaal tegen de dame. Haar 3 kleine kinderen staan me al die tijd ademloos aan te staren. Slechts eentje raakt na een tijdje uit zijn trance en babbelt rustig naar me, maar ik versta alleen ‘mzungu’. Ze zwaaien me allemaal enthousiast na als ik weg rijd. Schattig!

Om een uur of 14 kom ik aan bij de receptie van Wildlife Camp, dat me door velen bijzonder aanbevolen is. En het moet gezegd: het is een zeer goed georganiseerd kamp. Ik krijg een prachtig plekje direct aan de rivier. Ik zie nijlpaarden en impala’s. Om me heen staan maar liefst 3 overlandtrucks. Zoveel heb ik er deze reis nog niet eerder bij elkaar gezien. Onder grote belangstelling (dit keer niet van locals, maar van de mzungu’s) richt ik mijn kampje in. Er zwerven bavianen rond en die komen soms erg dichtbij, maar zodra ik mijn katapult voor de dag haal vluchten ze meteen weg. Wat ben ik blij dat ik dat ding heb! Om een uur of 16 wordt de lucht aardedonker en gaat het erg hard waaien. Even later begint het te regenen. Het lijkt er op dat ik het slechte weer meegenomen heb uit Malawi. Niettemin regent het niet hard en ook niet heel erg lang.

Voor het absurde bedrag van $5 bestel ik een bundel brandhout. Het is veel kleiner dan me beloofd was, maar het is opmerkelijk zwaar. Het betreft hardhout, dat inderdaad zo hard lijkt als steen en erg lang brand. Ik gebruik het hout om op te koken; een maaltje van verse sperziebonen, biefstukreepjes en aardappels. Het duurt lang voordat het klaar is, omdat het hout zo langzaam brand, maar smaakt heerlijk. Mijn overlandtruck-buren zijn erg luidruchtig. De nachtwaker komt zich even voorstellen en meldt dat er een groep olifanten door het naburige dorp aan het trekken is en dat het dus niet uitgesloten is dat zo ook hier naartoe komen.

2 gedachtes aan “Dag 206-210 (20-24 mrt): Regen in Malawi en de grens over met Zambia

  1. Patricia

    ik ben blij dat ik voor het regenseizoen in Afrika was!
    koelbloedig hoor, die politieposten. al met al kom je er gelukkig steeds goed doorheen!

    1. Bjorn Bericht auteur

      De echte avonturen als gevolg van het regenseizoen komen nog! Maar ik ben wel erg blij dat het regenseizoen inmiddels afgelopen is (in deze regio althans).

      Over die politieposten alleen al zou ik een boek kunnen schrijven! 😀

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *