Dag 196-200 (10-14 mrt): Dichte bossen en warme stranden

Dag 196. Zodra ik de camping afrijd ga ik eerst naar het winkelcentrum om weer wat boodschappen te doen. Ik heb niet veel nodig, maar voorlopig kom ik geen grote supermarkt meer tegen dus neem ik het er maar even van. Daarna rijd ik zuidwaarts over het Viphya plateau, een groot, bebost gebied dat oorspronkelijk aangelegd is door de Britse heersers voor de papierproductie. Dat bleek echter het Malawi meer ernstig te vervuilen, waardoor de visstand hard achteruit ging. Daarom wordt het bos nu gebruikt als bron voor bouwhout en brandhout. Enorme stukken bos zijn dan ook veranderd in korte stompjes, maar elders zijn weer talloze nieuwe bomen geplant en er is nog heel veel oud bos over. Delen van het gebied zijn beschermd natuurgebied, waardoor er maar heel weinig bebouwing te vinden is. Het is een heuvelachtige route, dus er zijn mooie vergezichten onderweg.

Midden in het bos sla ik links af en rijd zo’n 20 km over een zandweg tot ik bij mijn bestemming kom: Luwawe Forest Lodge. Ik word hartelijk ontvangen door George, de eigenaar, en Bob, de hond. Behalve een lodge hebben ze ook een camping, maar die is vooral gericht op tenten en niet op overlanders, want ik vind slechts na lang zoeken een plekje waar ik mijn auto en bustent kwijt kan. Het is immers een bos en de bomen hebben hier hele lage takken. De sanitaire voorzieningen zijn – zal ik maar zeggen – één geworden met het bos en dus niet erg schoon, maar er is wel heet water.

Nadat ik me geïnstalleerd heb doe ik wat administratie (de verkoop van mijn huis vereist zo nu en dan dat ik wat papieren opzoek e.d.) en neem een kijkje in de informatiemap, waar ook wandelroutes in beschreven staan. En daar kom ik voor! Dit is de eerste keer dat ik in Afrika wandelroutes tegen kom die gratis zijn en zonder gids gedaan mogen worden, en daar wil ik graag gebruik van maken. Tegen de tijd echter dat ik gelegenheid heb om te gaan wandelen is het al laat in de middag, dus neem ik genoegen met een korte, maar mooie wandeling. Terwijl ik even stil sta om een berichtje naar mijn vader te sturen (wederom i.v.m. het huis) hoor ik geritsel in de berm. Een klipdas komt de weg op hobbelen, draait zijn kop om, ziet mij staan en gaat er direct als een speer vandoor. (Zou ik ook doen als ik hem was!)

Ik heb al een paar dagen last van dunne en onregelmatige stoelgang en voel me vanavond ook niet zo toplekker, dus eet ik wat instantsoep met wat brood. Net als ik mijn grote achterstand in het verslagschrijven wil gaan wegwerken (ik loop 3 dagen achter) wordt er gedag geroepen vanaf de braai-plaats een meter of 10 verderop. Sophia, een jonge Amerikaanse vrouw probeert (grotendeels onsuccesvol) om een ondefinieerbaar stoofpotje te koken op vuur met nat hout. Ze werkt voor Peace Corps in een dorpje zo’n 100 km naar het noorden en is hier voor een weekendje weg (het is vrijdagavond). We praten een tijd, tot Sam, haar reisgenoot, een jongen die eveneens voor Peace Corps werkt, er aan komt, waarna we tot een uur of 22 verder kletsen. Het stoofpotje is jammerlijk mislukt (naar eigen zeggen).

Dag 197. De nacht verloopt onrustig. Ik voel me niet lekker. Geen koorts of zo, maar mijn ingewanden liggen overhoop en ik word om een uur of 4 wakker met braakneigingen en ik moet stante pede naar de wc. Valt nog niet mee: Shirt aan, portier open, slippers aan, bustent open, de weg naar de wc vinden in het donker, de wc inspecteren op ongedierte en dan pas kan het feest beginnen. Extra gênant is dat de binnenmuren van het gebouw niet tot het dak reiken en Sophia en Sam aan de andere kant van de muur liggen te slapen in de dorm. Na een klein half uur durf ik pas afscheid te nemen van de wc en terug te keren naar mijn bed, waar ik nog een paar uur slaap weet te vatten.

Misselijk sta ik op en ren meteen weer naar de wc. Eigenlijk ben ik al te laat… Als ontbijt neem ik thee met droog beschuit (dat ik zowaar nog had liggen van thuis!). Van het oorspronkelijke plan om vandaag lekker te gaan wandelen lijkt zo niets terecht te gaan komen. De ochtend besteed ik derhalve aan klusjes, zoals beddengoed wassen, verslag schrijven, kooksteltankje bijvullen, en wat kleine reparaties. Ook maak ik mijn foeragekist grondig schoon, want ik ben er zojuist achter gekomen waar de penetrante stank vandaan komt: een pakje kokosmelk is kapot gegaan en dat is vreselijk gaan schimmelen. De stank is echt verschrikkelijk. Pas in de loop van de middag durf ik te gaan wandelen, hoewel ik me nauwelijks beter voel. Ik besluit tot een wandeling die zo’n 2 uur moet gaan kosten. Ik pak m’n spullen bij elkaar. Ondertussen komen Sam en Sophia afscheid nemen, want ze gaan er weer vandoor.

De wandelroute heeft als naam ‘Indigenous Woodland Walk’, omdat het door een stuk van het oorspronkelijke bos leidt. Bos dat nooit omgekapt is ten gunste van de eucalyptus- en naaldbomen voor de handel. Volgens de routebeschrijving is deze route de best gemarkeerde, maar na de volledige 8 km te hebben afgelegd kan ik het daar niet mee eens zijn. Meer dan eens is er een bordje op een ander kruispunt dan de omschrijving en het plattegrond aangeven en heel vaak staat er helemaal geen bordje. Dat was met de route van gisteren veel beter gesteld. Maar ik mag niet klagen, want het is een erg mooie route en ik ben niet verdwaald. Het eerste stuk loopt door het plantagebos van Mexicaanse lariksen en later eucalyptus. Dan, na een heel smal stroompje te zijn overgestoken (over wat dunne boomstammetjes), bereik ik het oorspronkelijke bos. Het stroompje dient als grensmarkering voor dit reservaat. Er staan nog wel wat naaldbomen, maar al snel loop ik tussen de wilde pruimen en de zelfde antiek aandoende boompjes die ik ook in Nyika zag. Het blijken brachystegia te zijn, veelal behangen met ‘Old Man’s Beard’, wat behoorlijk bijdraagt aan het spookachtige karakter van het bos. Eerder zag ik al vervetapen, gisteravond zwoer Sophia een hyena gehoord te hebben en ik wist ook al dat hier bosbokken en duikers rondlopen, maar ik lees nu bijna terloops in de routebeschrijving dat er ook wel eens een luipaard gesignaleerd wordt! Ik denk er maar niet te veel over na…

Het is een mooie wandeling door een heerlijk rustig stuk natuur. Ik kom zo nu en dan mensen tegen die allemaal vriendelijk gedag zeggen. De meesten zijn werkzaam voor de houtkap of de lodge. Het valt met de modderpaadjes erg mee. Veel meer dan wat vogels in de verte zie ik niet aan wild, maar wel staan er allerlei planten in bloei. Onderweg ben ik gelukkig maar één keer blij dat ik wc papier meegenomen heb; verder houd mijn buik zich redelijk in toom. Om iets over 17 uur bereik ik de auto weer, alwaar ik nog wat aan mijn verslag en voorbereiding werk en douche. Het is al donker als ik dat laatste wil doen, maar de verlichting in de herendouches doen het niet. Er is maar 1 dame op de camping, dus ik gok er op niet gesnapt te worden en douche bij de damesdouches. Uiteraard komt er precies bij het verlaten van de ruimte iemand langs lopen…

Honger heb ik nog steeds niet, maar ik maak toch een salade. Het water uit de kraan is drinkbaar (en zelfs helder, voor de verandering!) dus ik waag het erop en was de sla ermee. We zullen morgen zien hoe slim dit was.

Dag 198. Wat een heerlijk gevoel is dat, om je weer beter te voelen na een ziekte, hoe kort en mild die dan ook is! Mijn maag en darmen zijn nog niet helemaal tevreden, maar het gaat onnoemelijk beter. Zekerheidshalve neem ik weer thee met beschuit als ontbijt. Het regent en het is mistig in het bos. Een ietwat troosteloze stemming gaat er van uit, maar mijn humeur kan het niet bederven nu ik me weer een stuk beter voel. Helaas moet ik nu wel de bustent nat inpakken, maar het zij zo. Ook is mijn was nog verre van droog. Ik had desondanks gisteravond het beddengoed weer in gebruik genomen; het laatste vocht daarin was spoedig door mijn lichaamswarmte verdampt.

Vertrek is pas om half 10, want ik neem even de tijd om de komende dagen te plannen, waaronder vandaag. Het went aardig, om bij het ontwaken nog niet te weten waar je die komende avond zal slapen. 🙂

Ik neem een andere weg naar de hoofdweg (M1) dan ik heen heb genomen en dat blijkt een leuke keuze te zijn, want hoewel het in tijd niet veel zal schelen, is het wel een erg leuk weggetje, vol hindernissen en vriendelijk zwaaiende mensen. Enkele oude mannen zwaaien zelfs met 2 handen hoog in de lucht en zetten een wit-gele lach op. Wat een geweldig land! Opvallend is dat het enthousiasme afneemt naarmate ik de M1 nader. Eenmaal op het asfalt is het vrij eentonig rijden tot ik in Kasungu aankom. Daar stop ik even om te tanken, geld te pinnen en wat fruit te kopen. De pompbediende is een zeer welbespraakte jongen die me vertelt dat als ik hier 2 jaar geleden was geweest, ik uren tot wel meer dan een dag in de rij had moeten staan omdat er een groot brandstoftekort was. Nu ben ik direct aan de beurt. Ik laat hem meteen even de benzine-jerrycan voor het kookstel vullen. Met die 5 liter kan ik weer zeker een maand vooruit. Bij het pinautomaat staat een man in deftig kostuum. Zijn vrouw is al even feestelijk gekleed in vrolijke kleuren en met veel sieraden. Hij zegt me ook al even deftig gedag en wenst me als afscheid vriendelijk welkom in Malawi. In de Peoples supermarkt koop ik wat vers brood(!) en honing, die hier veel goedkoper is dan bij de Shoprite. Voor de deur van de supermarkt staat een stalletje met netjes gestapelde appels. De verkoper en zijn vriend zijn heel vriendelijk en relaxed. De prijs is 180 mkw per stuk, maar ik versta hem niet goed en vraag ongelovig ‘1800 per stuk?’ Daarop zegt de vriend – met dollartekens in zijn ogen – tegen de verkoper ‘Yes, yes!’, maar die lacht hem direct uit en herhaalt keurig ‘180’. De mensen op straat zijn vrijwel allemaal keurig gekleed trouwens wamt het is immers zondagochtend en uit een naburig kerkje klinkt vrolijk gezang. Voorbijgangers kijken me soms even nieuwsgierig aan, maar gaan veelal gewoon door met waar ze mee bezig zijn of zeggen gedag. Wat een relaxed stadje. Sowieso bevalt Malawi me tot dusver uitstekend. Natuurlijk zijn ook hier de bedelhandjes en de ‘Mzungu, mzungu!’ kreten, maar niet veel. Over het algemeen is het heel rustig rijden in dit land. Ook verbijster ik me over de ruimte die hier nog is. Malawi zou 1 van Afrika meest dichtbevolkte landen zijn – vergelijkbaar met Rwanda -, maar tot dusver valt me dat nog heel erg mee.

Politie checkpoints zijn er in overvloed langs de asfaltwegen. Meestal mag ik direct doorrijden of knoopt de agent een kort, nieuwsgierig gesprekje met me aan, waarna ik door mag. Soms moet ik mijn rijbewijs en/of verzekeringsbewijs laten zien, waarna de agent vaak een rondje om de auto loopt. Daarna mag ik ook altijd door. Vandaag maak ik voor het eerst in Malawi mee dat een agent om een bribe vraagt. Hij komt lachend op me af lopen en vraagt op de man af of ‘ik niet wat heb voor een knappe agent.’ Ik kijk hem indringend en half lachend aan en antwoord met de constatering dat hij dus denkt dat hij knap is. ‘Ja, net zo knap als jij,’ voegt hij er gauw aan toe. ‘I’ve got a big smile for you,’ probeer ik. En het werkt! Hij schatert het uit en geeft me de vijf, waarna hij de poort voor me opent en lachend salueert.

In Kasungu is tevens de afslag naar de M18, de relatief nieuwe asfaltweg naar het Malawi meer. Deze loopt voor zeker 20 km door het Nkhotakota Wildlife Reserve (WR). Als ik voor de toegangspoort staat stuiven er meteen een tiental verkopers van fruit op me af. Ik wil nog best wat tomaten of bananen hebben, maar het aanbod ziet er maar bedroevend slecht uit, dus ik bedank voor de eer. Intussen komt de poortwachter met chagrijnig gezicht langzaam aansloffen. Ik zet expres een grote lach op en groet hem hartelijk. Dat verandert de zaak, want meteen tovert hij ook een lach op zijn gezicht. Na een kort gesprekje doet hij de poort voor me open en rijd ik het Nkhotakota WR in. Toen ik de poort zag was ik even bang dat dit toch geen openbare weg is, maar die vrees blijkt dus onnodig.

Meteen bij het binnenrijden van het WR schiet er een duiker over de weg de bosjes in. Veel te snel om een foto te maken. Dan volgen zo’n 10 km rustig rijden door het bos. Wild zie ik niet en slechts af en toe kan ik meer dan een paar meter het bos in kijken, maar toch geniet ik. Ik stop even voor de lunch. De zon schijnt en het is erg warm. Dat is weer even wennen, na de laatste dagen op relatief koude hoogte te hebben vertoeft. Ik kom bij een brug, waar ik opnieuw stop om wat foto’s te maken. Dan zie ik verderop langs de rivier een groepje van 5 olifanten vredig badderen in het water. Er naast staan enkele impala’s (denk ik). Ik had op de weg al heel wat olifantendrollen gezien, dus ik wist al wel dat ze hier zitten, maar nu heb ik ze tegen al mijn verwachtingen in ook nog gezien.

Bij het verlaten van het park opent de vrouwelijke poortwachter zwijgend maar glimlachend de slagboom. Na nog eens zo’n 30 km rijden zie ik het Malawi meer weer opdoemen aan de horizon. Deze heeft maar liefst 2 kleuren: donkerblauw aan de horizon en donkerrood in de buurt van het strand. De vele regenval van de laatste tijd heeft veel rode aarde het water in gesleurd en dat geeft het water deze bijzondere kleur.

Mijn bestemming vandaag is de Fish Eagle Bay Lodge. Een groot strand met wat huisjes en een bar en restaurant. Ik mag kiezen: kamperen onder een boom op het strand voor 6500 mkw of op een saaie, maar makkelijk bereikbare en vlakke parkeerplaats, waar ik alleen zou staan, voor 3500 mkw. Ik ga voor de strandplek. De kanarie rolt dit keer moeiteloos door het zand. Vlakbij is een open hutje waar een gezinnetje uit Kasungu deze vrije dag besteed. Ik maak kennis met ze en ze blijken vlak in de buurt van de Luwawa Forest Lodge werkzaam te zijn als transporteurs van hout. Ze klagen dat de bossen ernstig bedreigd worden door illegale houtkap en zijn blij dat het leger nu is ingezet om dit te bestrijden. Rond zonsondergang gaan ze weer naar huis. Ik leg mijn bustent te drogen (het is warm en er staat veel wind, dus het droogt in mum van tijd) en richt mijn kampje in. Het eten zou hier goed zijn, zo lees ik op iOverlander en er staat lokale vis op het menu, wat ik best zou lusten, maar ik durf het nog niet helemaal aan met mijn kwetsbare maag en heb daarbij nog vlees in de koelkast liggen dat niet lang meer goed blijft, dus eet ik verse sperzieboontjes met gehakt. De harde wind maakt het erg moeilijk om te koken, daar de vlam telkens uitwaait of wakkert en roet. Pas ruim na het eten gaat de wind liggen. De maan is inmiddels spectaculair opgekomen. Stel je een volle maan voor die tussen wolkenflarden opkomst achter de verre, scherpe silhouetten van Mozambique en zijn felle, koude licht reflecteert op het deinende oppervlak van het Malawi meer. Spectaculair dus!

Dag 199. Ik lig al half wakker, maar als de zon zijn moordend felle stralen van achter de horizon op mijn auto laat schijnen – vanaf precies dezelfde plek als waar de maan dat gisteravond deed – ben ik direct helemaal wakker. Er zijn vervelendere manieren om wakker te worden, nietwaar? Het waait weer erg hard, dus ik moet moeite doen om te voorkomen dat mijn ontbijt weg waait. Voor ik vertrek doe ik een enthousiaste poging om mijn kop te scheren, Dat lukt weer aardig, dankzij een zijspiegel en een los spiegeltje, maar de haarlijn in mijn nek is één groot slagveld geworden. Ik doe mijn best er nog wat van te maken, maar na een tijdje geef ik het op. Jammer dan; ik hoef er immers zelf niet naar te kijken.

Het is weer half 10 als ik weg rijd, want opnieuw heb ik de tijd genomen om me te oriënteren. Er begint zich langzaamaan een ruw plan te vormen voor mijn laatste week in Malawi. Drie weken in dit geweldige land is veel te kort! Mijn bestemming voor vandaag is Cape Maclear of Monkey Bay, daar ben ik zelfs onderweg nog steeds niet uit. Er zijn zoveel lodges en campings op het schiereiland waar beide plaatsen gevestigd zijn, dat ik last heb van keuzestress. Fat Monkey is populair, maar verre van rustig (herrie van de bar en overdag veel locals die het strand gebruiken om van alles te wassen. Mufasa is me persoonlijk aanbevolen omdat het zo rustig is, maar volgens recensies is het niet best gesteld met het sanitair. Uiteindelijk kies ik voor Chembe Eagle Nest Resort.

De rit hier naar toe is vrij recht-toe-recht-aan. Voornamelijk asfalt. Maar ik wil onderweg nog even langs rijden bij de Mua missiepost. Dat ligt op de route en schijnt een heel aardig cultureel museum te hebben. De afslag belooft weinig goeds, maar tot mijn verbijstering stuit ik ineens op een grote klassieke kerk en daar achter een enorm Portugees aandoende missiepost. Het is lunchtijd en er lopen grote hordes schoolkinderen die allemaal door elkaar heen beginnen te gillen of verbouwereerd blijven staan als ik aan kom rijden. Verderop staan allerlei keurige gebouwtjes in even keurige tuintjes. Direct valt op dat er op alle muren kleurige en keurige schilderingen zijn aangebracht. Soms alleen patronen, maar vaker nog afbeeldingen van mensen, dieren, planten of andere dingen. Hier is echt een kunstenaar aan het werk geweest! Tussen de hordes kinderen door komt een man naar me toe lopen die me vertelt dat het museum om 13 uur open gaat en dat ik zolang buiten rond mag kijken. Het is 12:33 dus dat vind ik geen enkel probleem. Buiten is meer dan genoeg te zien. Het museumgebouw bestaat uit 3 ronde, stenen hutten die tegen elkaar staan. Aan de buitenzijde zijn prachtige schilderijen gemaakt die de geschiedenis van Malawi kleurrijk in beeld brengen. Onder elk schilderij staat het jaartal of tijdvak waar het schilderij op slaat, maar helaas geen toelichting. Het is voor mij als leek niet allemaal even vanzelfsprekend wat er bedoeld wordt. Net als ik naar de auto loop om gauw nog wat lunch naar binnen te werken komt Vader Claude Boucher aanlopen, de oprichter van het museum. Hij neemt me mee naar de Showroom waar een verbijsterend aantal houtsnijwerken hangt. Vrijwel allemaal van topkwaliteit en allemaal anders. Hij vertelt me kort wat over zijn geesteskind, de werken in de showroom en de geschiedenis van de missie. Hij woont hier al 50 jaar, dus hoewel hij van origine Canadees is, voelt hij zich zelf begrijpelijkerwijs een Malawiaan. De houtsnijwerken zijn gemaakt door kunstenaars die grotendeels door hem zijn opgeleid. Ik kijk mijn ogen uit. Even later word ik door een ander meegenomen naar het museum. Hij zegt dat de gids ligt te slapen (!) maar dat hij (een klerk) me zal proberen te helpen waar hij kan bij het bekijken van het museum. De eerste hut is gewijd aan de geschiedenis van de missie en is erg creatief opgezet. Het prille begin wordt als een zaadje weergegeven dat later een bloem wordt en weer later een vrucht. Er hangen heel veel foto’s die allemaal keurig omlijst zijn. Alles is gemaakt van lokale materialen, maar het ziet er heel professioneel uit. De elektriciteit doet het helaas niet, dus er is geen verlichting, maar het daklicht in het koepeldak geeft meer dan voldoende licht. Ik mag hier foto’s nemen, maar jammer genoeg niet in de volgende 2 hutten, want die zijn nog veel mooier.

In de tweede hut wordt heel veel informatie gegeven over twee van Malawi’s voornaamste bevolkingsgroepen: de Ngoni en de Yao. Aan de muren hangen foto’s met gedetailleerde toelichtingen over diverse thema’s, inclusief besnijdenisfestivals, regendansen en begrafenissen. De foto’s zijn opnieuw op een heel creatieve manier opgehangen, waardoor alleen al de compositie een lust voor het oog is. De informatieve teksten zijn soms erg lang, waardoor je al snel je aandacht verliest, maar je steekt er wel wat van op. Zo weet ik nu dat de Ngoni na een ceremonie bleven kijken naar een stier tot hij ging plassen, wat een teken van de voorouders zou zijn dat het spoedig zou gaan regenen. Daarna werd de stier geslacht (stank voor dank, zou ik zeggen!) en de volgende dag opgegeten. Intussen werd ook verse mest op alle hutjes gesmeerd, want dat zou de hutjes reinigen. Je moet er maar opkomen. Voor Game of Throne-fans: er wordt ook uitgebreid verhaal gedaan over de Iron Throne. 😉 In het midden van de zaal zijn schitterende houten poppen neergezet met authentieke kostuums en voorwerpen uit beide culturen. Overal is aan gedacht, elk detail heeft een betekenis. Mijn dappere klerk doet zijn uiterste best om me van alles te vertellen over waar ik naar kijk. De opzet van de expositie is zo mooi dat ik al gauw helemaal gefascineerd raak, maar helaas ontbreekt me de tijd om alles te lezen, want dan zou ik hier de hele dag wel zoet zijn.

De derde zaal is op dezelfde manier ingericht, maar beschrijft dit keer de gebruiken van het Chewa volk, waar ook mijn klerk toe behoort. In het midden staat een grote ‘boom’ die vol hangt met Gule Wamkulu maskers. Ook bovenaan de muren hangen er een heleboel. Er is werkelijk een masker voor elk denkbare emotie, situatie of personage, inclusief een paus-masker en een masker van Vader Claude Boucher! Sommige maskers lijken werkelijk te bizar om echt te zijn, maar mijn klerk verzekert me stellig dat ze echt allemaal gebruikt werden en worden. Bij elk masker hangt een nummer, waar naar verwezen wordt op plastic kaartjes die rondom het midden eiland op borsthoogte zijn geplaatst. Er staat een ontstellende hoeveelheid informatie over elk masker op. Veel te veel om allemaal te lezen. Dat zou me dagen kosten. Eén masker in het bijzonder vind de klerk de moeite van een toelichting waard. Een stekelig, zwart masker van een soort demon. Op zijn kop staat een kom, waarin vuur werd gemaakt. Het masker werd gedragen als straf. De drager moest geknield op de grond zitten, zodat de dorpelingen popcorn konden bakken (de klerk laat me een popcornbakje zien!) op zijn hoofd, zodat de boeteling kon aantonen dat hij toch nog ergens goed voor was! Helemaal verzadigd met nieuwe kennis en kunst kom ik het museum uit. Terug bij Vader Boucher zit daar inmiddels een andere, Duitse overlander. We praten even kort. Op ietwat arrogante toon vertelt hij dat hij de moeilijke weg naar Livingstonia gedaan heeft. Op opzettelijk vlakke toon antwoord ik: ‘ja, ik ook’, waarna hij me eindelijk aankijkt en zijn toon direct verbeterd.

Terug op de asfaltweg geeft mijn GPS aan dat ik vrijwel direct naar links de afslag moet nemen om naar Cape Maclear te rijden. Het is een slechte, maar brede stofweg met veel voetgangers en fietsers. Er wordt het een en ander naar me toe geschreeuwd, maar dat is niet ongewoon dus ik negeer het. Totdat een man met een jongen achterop me gebaart dat ik om moet draaien. Ik stop en stap uit. Hij praat in een lokale taal, maar de boodschap is duidelijk: deze weg loopt dood. Ik moet de volgende afslag hebben. Ik bedank hem vriendelijk en keer om. In het voorbijgaan steekt hij zijn duim op en lacht me toe. Wat een volk!

Inderdaad is de volgende afslag voorzien van wegwijzers en asfalt. Zonder verdere bijzonderheden bereik ik de ingang van het Lake Malawi NP. Daar doorheen loopt de enige weg naar de punt van het schiereiland, waar Cape Maclear ligt. Desondanks is het geen beste weg, maar de mooie omgeving maakt alles goed. Ik bereik de camping rond half 18. Het ziet er netjes uit, maar omdat ik de enige kampeerder ben en Fat Monkey’s (die hier vlakbij ligt) slechts $3 kost, weet ik de prijs van $10 te verlagen naar $8. Ik blijf hier 2 nachten, dus dat scheelt toch weer. Het is een rustig plekje met een mooi uitzicht over de baai. Er vliegen talloze libellen, die na zonsondergang allemaal plaatsmaken voor muggen. De zonsondergang is erg mooi. Heel grappig om zowel een zonsopkomst als zonsondergang boven hetzelfde meer te kunnen zien op dezelfde dag!

Ik bestel een eenvoudige maar erg lekkere vismaaltijd in het restaurant. Ik ben de enige gast en hoewel men erg vriendelijk is, ziet men me liever zo snel mogelijk vertrekken, want als ik na het eten een kop thee bestel is er grote commotie. De keuken is al op slot. Terwijl ik nog aan de thee zit wordt me gevraagd of ik nog iets wil bestellen van de bar. Intussen wordt de suiker en melk vast meegenomen van mijn tafeltje. Ik drink mijn thee op en ga er gauw vandoor. Mijn verslag tik ik wel verder in mijn eigen tent. De douche is – tegen expliciete belofte in – koud, maar ik neem hem toch maar, onder wakend toezicht van een gekko die roerloos in de cabine op de muur blijft zitten kijken. Ik doe nog een dansje voor hem om hem te laten lachen, maar hij lijkt niet onder de de indruk. Pas als ik de kraan weer uitzet heeft hij genoeg gezien en verdwijnt in een flits.

Dag 200! Je zou denken dat dat reden tot een feestje is, maar ik besef pas nu ik dit schrijf (in de avond) dat het de tweehonderdste dag is…

Nee, deze dag verloopt eigenlijk heel saai. Maar het ontbijten met dit uitzicht is op zich dan wel weer een klein feestje. Ik besteed de dag aan klussen, klussen en nog meer klussen. De kluslijst blijft zich maar vullen. De auto moet technisch weer eens geïnspecteerd worden (oliepeil, zitten de accu’s nog vast, bandenspanning, luchtfilter schoonmaken, inspectie op schade aan de onderkant van het terreinrijden, opgedroogd modder wegbikken, etc.), er is altijd wel een wasje te doen, de nummerplaat aan de achterkant raakt telkens los en ik moet me nodig inlezen op Zambia, het volgende land. En dat zijn nog maar een paar van de klusjes. Erg veel tijd om te relaxen neem ik niet, maar ik zie nog best genoeg, want zo nu en dan vliegt er een visarend voorbij en vlak na de lunch loopt een varaan van ca. 1,5 meter mijn zonnepanelen voorbij. Sowieso stikt het hier van de hagedissen in allerlei soorten en maten. Ontzettend leuke beestjes. Zijn geitjes trouwens ook. Die komen gedurende de dag ook regelmatig op bezoek. Oh, en spinnen, heel veel spinnen. Maar dat vind ik geen leuke beestjes. Net als mieren. Die komen blijkbaar in elk klimaat voor: warm, koud, nat, droog, het maakt ze geen bal uit. Libellen en vlinders vliegen hier ook erg veel rond. Daar heb ik wat gemengde gevoelens bij. Het blijven toch insecten…

Het is een erg warme dag en de zon draait overuren. Het is zo warm dat ik af en toe wat water over de zonnepanelen gooi om ze af te koelen. Ironisch genoeg werken zonnepanelen namelijk slechter bij hoge temperaturen. Het resulteert in tientallen Watts meer vermogen, maar het effect is uiteraard maar tijdelijk. In de tent is het al gauw niet meer te harden, dus als ik aan de nummerplaat werk gutst het zweet weer van m’n lijf. Omdat ik in mijn oneindige (on)wijsheid besloten heb om daarna opgedroogd modder van onder de auto weg te gaan bikken blijft het vrijgekomen stof lekker aan me plakken en zit ik helemaal onder. Gelukkig is de douche nu wel redelijk warm. Opvallend is trouwens dat de hele dag de generator staat te draaien tot een uur of 19, want dan krijgen ze weer stroom van het stroomnet. Er is zo’n elektriciteitstekort in het straatarme Malawi, dat men hier slechts enkele uren per dag stroom krijgt van de centrale!

3 gedachtes aan “Dag 196-200 (10-14 mrt): Dichte bossen en warme stranden

  1. Aayko

    Mooi verhaal, van die popcorn!
    Ik dacht trouwens altijd dat hyenas savanne-bewoners waren, maar uit je verslag(en) begrijp ik dat ze ook in bosachtig gebied zitten – of spreekt daar je Europese Boze Wolf Syndroom? ;))

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.