Dag 176-180 (18-22 feb.): Ruig west-Tanzania, ‘Dr. Livingstone, I presume?’

Dag 176. Ik maak gebruik van het bijzondere toilet, dat door de Engelse jongeren al flink is misbruikt, waarna ik plaatsneem in het restaurantje voor het inbegrepen ontbijt. Een bordje met vers fruit (yes!) en een bordje met een koud stuk omelet en een verzameling delen van broodjes, waaronder een 2/3 deel van een croissantje en een halve oliebol, worden voor mijn neus neergezet, afgedekt met plastic folie. Alles (lees: de luifel) is nat geworden vannacht, maar gelukkig breekt vanmorgen de zon even door en is alles in een mum van tijd droog.

Ik ben weer op weg en sta op het punt Rwanda alweer te verlaten. Het waren slechts 6 dagen en dat is eigenlijk veel te kort, maar het is aan de andere kant ook wel voldoende geweest. Bij een tankstation op zo’n 20 km van de grens maak ik mijn laatste francs op, maar vergis me daarbij in het bedrag dat ik aan de pompbediende opgeef. Ik vraag haar voor 37.000 franc te pompen, terwijl ik (zo blijkt als ik wil betalen) maar 34.000 heb. Ik vraag of ze genoegen neemt met dollars en geef haar 4 dollar-biljetten die ze wat argwanend bekijkt en aan een collega laat zien. Ook die bekijkt ze alsof hij nog nooit zoiets gezien heeft. Ze gaan gelukkig wel akkoord.

De grenspost ziet er nieuw en groots uit. Een groot bord noemt het vol trots een ‘one stop borderpost.’ Het is alleen erg onduidelijk waar ik heen moet en rij op een gegeven moment de grenspost voorbij! Dus keer ik om en parkeer de auto. Een man ziet me rondkijken (borden ontbreken), en wijst me de goede kant op, maar eenmaal binnen krijg ik te horen dat ik door had moeten rijden en dat de grenspost voor de richting Tanzania even verderop ligt. Dit is de grenspost richting Rwanda. Tja, als ze daar nou even een bordje aan gewijd hadden…

Maar goed, ik stap dus maar weer in en rijd door. En ja hoor, nadat ik een mooie brug ben over gestoken (waar zich volgens de kaart een waterval moet bevinden, maar die ik helaas niet zie) en een grote bocht heb genomen, zie ik ineens een stel keurige borden die me welkom heten bij de grenspost en vervolgens netjes aangeven waar ik heen moet. Ik voel me weer even in Europa! Nog voor ik de auto tot stilstand heb gebracht staan er een stuk of 15 mannen om de auto. Eentje roept ‘exchange, exchange’ waarop ik beleefd antwoord dat ik niets nodig heb, waarna ze allemaal direct afdruipen. Ik loop een anoniem kantoorgebouw in waar ik vermoedelijk moet zijn en vind daar tot mijn grote verbazing loketten voor immigratie en douane van zowel Rwanda als Tanzania. Wauw, wat goed geregeld!

Nadat ik de jongen bij de douane van Rwanda mijn pen geleend heb vult hij in korte tijd mijn carnet in, maar de procedure bij de douane van Tanzania duurt een stuk langer. Ik word op een gegeven moment dan ook verzocht te gaan zitten. Ik moet 25 dollar aan wegen- en brandstofbelasting betalen, maar dan wel in Tanzaniaanse shillings, die ik natuurlijk nog niet heb (op wat briefjes na die ik van de vriendelijke Zwitsers in Uganda heb gekregen). Er is echter zowaar voorzien in een tweetal ATM’s, hoewel de eerste eindeloos geld blijft tellen en een omstander me uitlegt dat de machine kapot is en ik de andere moet nemen. Die werkt wel prima en dus kan ik even later de belastingen betalen, waar ik een heel officieel ogend betaalbewijs voor terugkrijg. Het lijkt wel een certificaat of zo. Het carnet krijg ik ook terug. Bij de immigratie van Rwanda ben ik ook snel klaar en bij die van Tanzania moet ik alleen wat minuten wachten op mijn visa, waarna ik ook daar klaar ben. Ziezo, ik ben weer een land verder!

Ik rijd naar de poort die Rwanda van Tanzania scheidt, alwaar de bewaker de slagboom voor me opent zonder ook maar iets te vragen of te controleren. Welkom in Tanzania! Ik dacht dat ik oost Afrika nu wel zo’n beetje gezien had, maar Tanzania verrast me toch weer. In positieve zin! Het landschap is fantastisch. Groen en nauwelijks gecultiveerd. Gewoon wilde natuur. Het land is duidelijk minder dicht bevolkt als de voorgaande landen, wat blijkt uit veel meer rust op de weg en langs de weg. Veel minder huizen en, ook opvallend, nauwelijks kerken, scholen of ziekenhuizen die gesponsord zijn door buitenlandse instanties. Een verademing is daarnaast ook dat de gebouwen bijna geen van allen beschilderd zijn met levensgrote reclames voor o.a. telecombedrijven, zoals ik vanaf Kenya erg veel zag. De huizen zijn hier gewoon bruin van kleur of geschilderd in vrolijke kleuren.

Het asfalt tot aan de grens was erg goed, maar dat houdt op in Tanzania. Er is nog wel asfalt, maar alleen tussen de gaten. En dat zijn er vreselijk vel. En diep! Soms wel een halve meter! Daar wil je niet met 80 km/u doorheen rijden. Nee, gemiddeld rijd ik niet harder dan zo’n 40 km/u., tot ik de afslag bereik naar het zuidwesten; de B8. Dit is de hoofdweg van noord naar zuid langs de westkant van het land en is dan ook ruim 1100 km lang, maar is tevens (vrijwel) geheel onverhard. Met het regenseizoen in volle opkomst kan dat nog wel eens modderig gaan worden! Het begin is echter een makkie. Het is duidelijk dat men ook deze weg wil asfalteren, want men is druk bezig met de voorbereidingen. De eerste pakweg 20 km betekent dat, dat de stofweg strak en recht is. Daarna betekent het echter, dat je naast de weg geacht wordt te rijden, over een hobbelig tijdelijk paadje vol kuilen en, jawel, modder.

Om een uur of 17 bereik ik mijn bestemming voor vanavond: een Katholieke missie. Er zijn langs deze weg geen kampeermogelijkheden en ook geschikte hotels of lodges ontbreken grotendeels, maar dankzij Roel en Suus (andere overlanders) weet ik de coördinaten van deze missiepost, waar zij destijds ook hebben mogen overnachten. Het is dat ik de coördinaten heb, anders zou ik niet eens gezien hebben dat hier een missiepost zat. Het bordje is nauwelijks leesbaar. Het is een groot omheind grasrijk terrein met een aantal gebouwen. Ik zet de auto neer bij wat op een soort garage lijkt en ga op zoek naar iemand die me te woord kan staan. Na enkele minuten zie ik een blank gezinnetje lopen en en loop er op af. Het zijn Zweden, waarvan de vader hier is opgegroeid. Hij heeft nu zijn (jonge) gezin meegenomen om zijn roots te laten zien. De missiepost in in de 19e eeuw gesticht door Zweden. Naast hen loopt Engelbrecht, een donkere man met een uiterst vriendelijke en zachtaardige uitstraling. Hij spreekt nauwelijks Engels, maar gelukkig kan de Zweed (helaas weet ik zijn naam niet meer) vertalen (hij spreekt immers vloeiend Swahili). Ik blijk van harte welkom te zijn en mag hier gratis staan, hoewel een donatie gewaardeerd wordt.

Ik blijf nog een tijdje met de Zweden praten, waarna ik de auto op een geschikt plekje zet en een restje spaghetti van gisteren opwarm, terwijl de ondergaande zon alles vuurrood kleurt. Om iets over 20 uur loop ik naar het gastenhuisje, want daar ben ik uitgenodigd door de Zweden voor een kop thee. We kletsen zo’n anderhalf uur gezellig en wensen elkaar dan een goede nacht. De Zweed blijkt ook een systeembeheerder te zijn en heeft vanuit zijn vrijwilligerswerk in Afrika al aardig wat landen in de regio intensief bereist. Ik laat bij hen een tas met schoolspulletjes en een souvenir uit Nederland achter om morgen aan Engelbrecht te geven als dank voor de overnachting. Wanneer ik naar mijn auto loop is de lucht helder, ondanks het gerommel in de verte. Het is op de nachtelijke geluiden van de natuur na muisstil. Met een brede glimlach kruip ik mijn autootje in. Wat heb ik het toch weer getroffen!

Dag 177. Terwijl de missiepost langzaam wakker wordt, werk ik rustig mijn ontbijtje naar binnen. De kerkdienst is begonnen als ik wegrijd. Ik vertrek net op tijd, want het begint net te regenen. Vandaag staat een rit van zo’n 270 km op het programma. Klinkt misschien niet als erg veel, maar op een Afrikaanse weg is het dat wel! De weg is de eerste 100 km niet erg slecht, maar daarna wel. Er zijn heel erg veel grote en kleine putten in het wegdek, en meestal staat daar water (lees: modder) in. Het gevolg is dat ik soms hele vloedgolven van modderwater over me heen krijg. Dat droogt vervolgens erg snel op, waardoor de auto aan het einde van de dag okerrood is i.p.v. geel. Een dikke korst rode modder bedekt een groot deel van de auto.

Het is niettemin heerlijk rijden, want de omgeving is prachtig. Alles is groen en veelal ongerept. Er zijn wat drukke stukjes, maar doorgaans is het vrij rustig op de weg en ik vind voldoende plekjes om even rustig te pauzeren of te lunchen. De laatste 50 km is asfalt en voert me door Kigoma, de grootste plaats aan het Tanganyika meer. Ik rijd er echter vrij vlot doorheen, want ik ben erg moe en het is al vrij laat (ca, 17:00). Aan het einde van een uitloper in het meer kom ik uit bij Jakobsen Beach Camping. Na de registratie (waarbij ik, zoals vrijwel overal, zomaar wat invul, met name het paspoortnummer) word ik naar de campingplaats gedirigeerd, wat aan het einde van een uitdagend zandpaadje ligt. Een afgevlakt stuk gras met een niveau lager een overkapping, een tweetal picknickbankjes, een open keukentje en een hok waar je etenswaren veilig van de apen kunt bewaren. Er zitten een aantal vervet apen, maar tot op heden (ik schrijf dit 24 uur later) blijven ze op een afstandje. Ik zet de auto onder een grote boom en loop eerst naar het piepkleine strandje, waar 2 Britse meiden zitten. We praten wat en ik sta versteld van hoe paradijselijk deze plek is. Een klein roodkleurig strandje met wat afdakjes, een vuurplaatsje, een strandstoel, en kristalhelder water met aan beide kanten grote rotspartijen, bedekt met veel groen, waardoor je je echt afgelegen voelt.

Voor ik de bustent op zet (ik wil hier morgen ook blijven) was ik eerst de auto enigszins, tot hij weer geel is; het kost me 6 emmers water. Daarna ga ik gauw nog even zwemmen. Het water heeft een heerlijke temperatuur en is zo helder dat ik mijn voeten nog kan zien als ik het water me bijna aan de lippen komt. Terwijl ik eenzaam en alleen (de Britse meiden zijn inmiddels weg) in het water van het ruim 1400 m diepe meer dobber, met aan de ene kant de ondergaande zon en aan de andere kant het mini-privéstrandje, omringt door groene rotsen, kan ik me heel gelukkig voelen. Wat een fantastische plek. Dat is, totdat een medewerker afdaalt naar het strand en 1 van de 2 kajaks omdraait en meeneemt. Want in precies die kajak had ik mijn autosleutel gelegd! Voorzichtig als ik ben had ik de auto op slot gedaan voor ik ging zwemmen en had de sleutel dus daar neergelegd. Snel zwem ik naar het strand en probeer hem nog te roepen, maar hij hoort me niet. Op mijn slippers en drijfnat ren ik achter hem aan, nadat ik al even vlug in het zand had gezocht naar de sleutel. Halverwege naar de receptie haal ik hem in, maar de sleutel had hij niet gezien en ligt natuurlijk ook niet meer in de kajak. Shit!!! Ik loop terug naar het strand en graaf een hele tijd in het zand, maar het mag niet baten, de sleutel is weg…

Gelukkig heb ik voor dit soort gevallen een reservesleutel aan de buitenkant van de auto verborgen. Die tover ik dus maar te voorschijn. Ik kook een simpel maaltje van wat worstjes en een blik bonen. Terwijl ik sta te koken komt de medewerker langslopen en nadat ik hem verteld heb dat ik de sleutel niet heb kunnen vinden zegt hij ook nog even te gaan zoeken. Nog geen 5 minuten later komt hij met de sleutel aan lopen! In totale verbijstering vraag ik hem waar hij hem gevonden heeft. In het zand, zegt hij. Ik snap er helemaal niets van, maar ik bedank hem natuurlijk hartelijk.

Het is inmiddels aardedonker. Er branden alleen wat lampen op het water (van vissers) en aan de overkant, in Congo, maar hier niet. Wel komt er halverwege de avond iemand langs om me een olielamp te brengen. Op het geluid van de branding na (Tanganykia is één van de grootste meren van Afrika) is het heerlijk stil. Ik sta helemaal alleen; de receptie is zeker honderd meter lopen bergopwaarts en ik ben de enige kampeerder. Wat een genot! Voor het eerst deze reis zit ik gewoon een uur lang naar de vlam te staren en intens te genieten van de rust. Het kan dus wel: rust vinden in Afrika!

Dag 178. Na een heerlijk stille nacht word ik pas om 7 uur wakker. Als ik de tent open rits, vluchten wat vervet apen weg, maar blijven tijdens mijn ontbijt wel in de buurt rondhangen (soms letterlijk).

Het is bewolkt en de temperatuur is (net als gisteravond trouwens) perfect. Ik besteed de ochtend aan klussen, met name een grote stapel wasgoed. Ook ben ik veel tijd kwijt aan het bestrijden van honderden piepkleine rupsjes die zich aan zijden draadjes van de boom naar beneden laten zakken en zo overal op terecht komen. In enkele uren tijd zie ik overal aan de auto kleine webjes ontstaan en overal wemelt het van de rupsjes. Het irritantste is nog dat ik telkens door de draden heen loop, waardoor ik telkens het gevol heb door spinnenwebben te lopen. Op een gegeven moment ben ik het spuugzat, breek de tent af en verplaats de auto naar een plekje naast de boom. Meer zon, maar minder rupsen!

Aan het begin van de middag loop ik naar de receptie, waar ik handen schud met de Noorse eigenaar, waar ik een tijdje mee praat, Hij geeft me hele nuttige informatie over de weg en accommodaties langs de route die ik de komende dagen moet gaan nemen. Ook profiteer ik van de wifi, want om de een of andere reden werkt mobiel internet hier in Tanzania niet op mijn telefoon, op Facebook na! En bovendien is er op de kampeerplaats totaal geen ontvangst, zelfs niet voor telefonie! Ik informeer naar transportmogelijkheden naar het Livingstone memorial museum in Ujiji, hier 11 km vandaan. Het blijkt dat 2 Zweeds gasten hier morgen ook naartoe willen, dus kunnen we dat mooi combineren. Of ik vanavond even terug wil komen om dit verder af te stemmen. Prima. Het begint te onweren, de wind steekt op en het wordt steeds donkerder, dus na een korte stop bij een fantastisch uitkijkpunt loop ik snel terug naar de auto, waar ik nog net de was af kan halen voor de bui losbarst. Terwijl de regen met bakken uit de hemel komt geniet ik van mijn late lunch in de droge bustent. Wat een uitkomst!

Na de lunch wil ik gaan zwemmen, maar het water is erg ruig, dus houd ik het bij wat pootje baden en loop naar de andere 2 kleine strandjes van deze camping. Die zijn zo mogelijk nog meer afgelegen en idyllischer dan de eerste! Ook vind ik een tweede kampeerplaats, waar zelfs is voorzien in een volledig uitgeruste en zeer schone keuken.

Halverwege de middag is het weer droog en hang ik de was weer op. Ik doe nog wat klusjes en aan het einde van de middag komen 2 Belgen en een Zwitser langs, waar ik een praatje mee maak. Terwijl we staan te praten komen er 4 zebra’s het kampeerterrein opgelopen.

Huisdieren heb ik sowieso wel genoeg, want er leeft hier een troep vervet apen, die steeds brutaler beginnen te worden en inmiddels al een pakje crackers en zelfs een heel pak mangosap gestolen hebben. Te laat realiseerde ik me dat ik een katapult heb, want van alleen al het tonen van dat ding blijken ze te vluchten, net als op Tiwi beach. Daarnaast zijn er dus de honderden kleine rupsjes en en hele grote op mijn bustent, met 4 kleine horentjes. Natuurlijk zijn er mieren in werkelijk alle soorten en maten, van net een millimeter tot bijna een centimeter, zwart, rood en zelfs zwart-wit. Onder een steen vond ik een kleine, zwarte schorpioen. Op de rand van de wc trof ik laatst een klein, groen kikkertje aan dat ik maar met moeite heb weten te overtuigen dat het voor zijn eigen bestwil is om zich uit de voeten te maken, de volgende dag trof ik een gekko-tje aan die pontificaal voor mijn snufferd bleef zitten en weer een dag later vond ik opnieuw een kikkertje, ditmaal zwart-wit, op de douchestang. Aan het strand vind ik verschillende hagedissen. De zebra’s zijn ook een paar keer terug gekomen en overal fladderen hier vlinders. Ook enorme nachtvlinders, die er een gewoonte van maken om in mijn auto te gaan zitten, wat me bij het slapen gaan weer het nodige werk oplevert. Daarover gesproken: de muggen vormen ook een enorme uitdaging, want hoewel ik er ‘s avonds niet zo’n last van heb, heb ik dat ‘s nachts wel. Hoeveel ik er ook doodsla, er blijven er meer komen. En dan zijn er tot slot nog de visjes die rond mijn voeten zwemmen als ik op de bodem van het water sta. Heel erg opvallend van kleur en vorm zijn ze niet, maar grappig is het wel. Vogels heb ik opmerkelijk genoeg nog nauwelijks gezien of gehoord.

Na het avondeten klauter ik in het pikkedonker door het bos naar de receptie. Ik stamp flink om eventuele slangen op afstand te houden. Bij de receptie tref ik een man aan die niet op de hoogte is van de museumplannen en verzoekt me morgenochtend terug te komen, daar de baas er nu niet is.

Dag 179. Was het gisteren een dag van vooral regen, vandaag schijnt de zon uitbundig. Na het opstaan loop ik direct naar de waterkant. Het water is totaal gekalmeerd en ligt er vredig bij in het vroege zonlicht. Een deel van het strand is weggeslagen. Snel trek ik m’n zwembroek aan en even later dobber ik weer heerlijk in het Tanganyika meer. Wat is dit toch een genot.

Na het ontbijt (waarbij ik de apen op afstand moet proberen te houden), loop ik naar de receptie. Jakobsen, de Noorse eigenaar vertelt me dat behalve de 2 Zweden ook een Tanzaniaanse dame, haar vriend, en mogelijk ook de 2 Britse meiden mee willen naar het museum en dat hij en zijn vrouw er zelf ook wel weer eens naartoe willen. Hij maakt er dus een georganiseerd uitstapje van. Om een uur of 14 vertrekken we.

In de tussentijd verricht ik weer de nodige klusjes (waar blijven die toch telkens vandaan komen?!), waarbij ik – onder meer – in de tropische hitte een plak van een stronk tropisch hardhout probeer af te zagen met mijn handzaagje. Ik kan je vertellen dat dat geen plezierige onderneming is, en dat de naam ‘hardhout’ misschien nog een understatement is. Het lijkt verdorie wel of ik door graniet heen probeer te zagen met een botermesje! Het zweet gutst van mijn lijf alsof het een waterval is.

Om 14 uur meld ik me weer bij de receptie met camera, portemonnee en fles water. Het duurt echter nog 20 minuten voordat de auto met Jakobsen en zijn vrouw arriveren, vergezeld door 1 van de Zweden. Even daarvoor heb ik 3 Deens gasten ontmoet en later nog wat Finnen. (Wat is dat toch met de Scandinaviërs in deze regio?) In een comfortabele Landcruiser met airco(!), bestuurt door Jakobsen rijden we naar Ujiji, waar we de andere Zweed oppikken (die is te voet gegaan!) en het Tanzaniaans stel ontmoeten, evenals een oud mannetje dat door Jakobsen was gevraagd om ons te komen rondleiden, daar hij zijn jeugdige opvolgers niet goed vind vertellen. Het blijkt dat de Zweden al wat jaren in Tanzania wonen en werken, dus ben ik de enige in het gezelschap die geen Swahili verstaat. Dat is problematisch, want hoewel het mannetje zo nu en dan zijn best doet om Engels te praten is dat zo slecht te onderscheiden van het Swahili dat ik nooit weet wannéér hij Engels praat en ik dus bijna niets meekrijg van zijn verhaal. Bovendien praten ze onderling vaak in Swahili. Overigens vraagt hij me waar ik vandaan kom, waarna hij me steevast ‘Netherlands’ noemt.

Hij neemt ons eerst mee naar het monument op de plek waar vroeger de mangoboom stond waar Henry Stanley David Livingstone na een zeer lange reis ontmoette met de humoristisch bedoelde en sindsdien onsterfelijke woorden: ‘Dr. Livingstone, I presume?’ Er naast staat een kleiner monument om te gedenken dat de Britten Burton en Speke deze plek als eerste Westerlingen gevonden hebben. Het mannetje laat ons plaatsnemen op bankjes en steekt een lang verhaal af waar ik dus bijna niets van begrijp, maar duidelijk is wel dat hij een lange versie van deze geschiedenis vertelt.

Daarna lopen we het terrein af om de fundamenten van een grote slavenhuis te bekijken. We lopen door de buitenwijken van het stadje en midden op een pad houden we halt. Een schijnbaar willekeurige kei in het pad is volgens het mannetje onderdeel van het genoemde fundament, waar verder absoluut niets van te zien is. Na deze lichte teleurstelling lopen we terug naar het museum, waar we binnenin de infopanelen lezen over Ujiji, Kigoma, en de slavenhandel, waar Ujiji vroeger vooral om bekend stond. Er staan ook 2 levensgrote papier-maché poppen van Livingstone en Stanley die elkaar vriendelijk begroeten met opgeheven hoofddeksels. De poppen zijn al zeker 30 jaar oud. Ook hangen er wat eenvoudige schilderijen van momenten uit het leven van David Livingstone. In een andere ruimte liggen nog wat oude gebruiksvoorwerpen uit de regio, waaronder een strijkijzer op kerosine en houten sandalen. In een gang staat een hele grote boomstamkano opgesteld. Ik sta net het bordje te lezen als Jakobsen aan komt lopen en me verteld dat de naam Kigoma afgeleid is van de naam van de boomsoort die vroeger op de plek van die stad groeide. Sterker nog: in de tijd van Livingstone was Ujiji de enige plaats en bestond Kigoma nog niet. Dat was toen nog een bos met deze hele grote bomen. Zulke grote bomen als waar deze kano uit gemaakt is zijn bijna nergens meer te vinden in de regio.

We rijden niet direct terug naar de camping, maar gaan eerst Kigoma in om wat boodschappen te halen. De eigenaren hebben printerinkt nodig en voor de Zweden en mij is het een geweldig mooie kans om wat voorraden in te slaan. Zij weten namelijk de beste groente- en fruitkraampjes en de beste kruidenier te vinden. Om een uur of 17:30 zijn we weer terug op de camping. Ik hoef niets te betalen voor de rit, waar ik mijn gastheer en -vrouw hartelijk voor bedank. Overigens kostte het ‘museum’ zelf maar liefst 20.000 tsh (ca. €8,50).

Snel neem ik nog even een duik in het verfrissende water en warm dan een restje eten van gisteren op. Terwijl ik dat opeet barst er een grote onweersbui los aan de overkant van het meer, in Congo. Regelmatig wordt de hele hemel opgelicht door een meervoud aan flitsen. Het is erg indrukwekkend en ook wat intimiderend, maar de bui komt niet dichterbij en dus zit ik nog lange tijd comfortabel buiten te lezen.

Dag 180. Wanhopig geworden van alle muggen pas ik voor het eerst in lange tijd de klamboe weer eens toe, maar in de kleine ruimte van de auto ben ik er telkens mee in gevecht en hangt het ding uiteindelijk de hele nacht als een soort lijkwade over me heen. Daar moet ik een volgende reis toch iets beters op verzinnen.

Bij het voorbereiden van het ontbijt vind ik de katapult, die ik buiten op tafel leg, waarna de vervet apen in de buurt direct de poten nemen. Ik had oorspronkelijk gepland om hier 1 dag te blijven, maar ook vandaag (dag 3) blijf ik nog plakken. Het is erg moeilijk om afscheid te nemen van het paradijs, want ondanks de ongemakken van rupsen, muggen en mieren is het voor mij echt een paradijsje. En voor mijn gevoel heb ik er nog lang niet genoeg van genoten door alle klussen die ik de afgelopen 2 dagen heb gedaan. Dus vandaag beschouw ik als vakantiedag. Niettemin doe ik in de ochtend nog wel wat klusjes, waaronder het vervangen van een onderdeel van het kookstel. Ik heb nu al van alles geprobeerd om dat ding fatsoenlijk te laten branden, maar telkens met kortdurend en halfslachtig resultaat. Voor vertrek had ik gelezen dat het vervangen van de generator vaak helpt en dus heb ik daar gelukkig een reserve van meegenomen. En die doet het tot nog toe (ik schrijf 5 dagen later) voorbeeldig! Hopelijk blijf hij het nog een half jaartje doen, want ik heb geen tweede reserve.

Na de lunch ga ik snorkelen in het meer. Dat wil zeggen, ik heb geen snorkel, maar wel een duikbril en houd gewoon mijn adem in. Er zijn geen koraalriffen en de visjes zijn misschien niet de meest spectaculairste, maar toch is het erg leuk om te zien. Het Tanganyika meer is beroemd om zijn enorme populatie aan cichliden. Nu ben ik absoluut geen kenner, dus ik heb geen idee of ik die ook heb zien rondzwemmen, maar visjes zijn altijd leuk om te zien, nietwaar?

Daarna blijf ik een tijd lang lezen op het strand, eet wat fruit (passievruchten, sinaasappels en appels; wat wil een mens nog meer?) en maak een rondwandeling over het uitgestrekte terrein van de camping. Ik vind zowaar nog meer huisjes en nog een keuken. Ook kom ik weer op het uitkijkpunt uit. Eenmaal terug ga ik nog een keer snorkelen en lezen, tot het etenstijd begint te worden. Met de verse groente die ik gisteren gekocht heb maak ik een maaltje met rijst en tonijn.

5 gedachtes aan “Dag 176-180 (18-22 feb.): Ruig west-Tanzania, ‘Dr. Livingstone, I presume?’

  1. Rozemarij Aendenroomer

    Dank je wel Bjorn voor het mogen meegenieten/meebeleven van je reis.

    Het is erg leuk om je verslagen te lezen en de foto’s en filmpjes te zien. Het is bijna alsof we er zelf (nog) bij zijn.

  2. Patricia van Baarlen

    prachtige plaatjes hoor! en die vervetaapjes blijven toch wel errug leuk!
    wat ging je eigenlijk met dat hout doen?

    1. Bjorn Bericht auteur

      Ik probeerde er een vreselijk gepiep van vlak achter de bestuurdersstoel mee op te lossen. Ik dacht dat de koelkast tegen de wand aan schuurde en dat wilde ik verhinderen door er wat houten blokjes tussen te leggen. Inmiddels ben ik er achter dat de oorzaak van het gepiep een viertal losse schroeven was. 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.