Dag 166-170 (8-12 feb.): Peddelen in een boomstamkano op het Bunyonimeer, angstige bergpaadjes en Rwanda in

Dag 166. Tijdens mijn ontbijtje op de parkeerplaats vorm ik weer een welkome attractie voor alle passanten. De kampeerplaatsen voor tenten zien er prachtig uit, maar helaas heb ik daar dus geen gebruik van kunnen maken. Om een uur of 9 ben ik onderweg naar mijn volgende bestemming: het Bunyoni meer. Om daar te komen neem ik een openbare weg door Bwindi Impenetrable NP. Dat blijkt één van de allermooiste wegen te zijn die ik deze reis genomen heb! Het is een keurige stofweg in uitstekende staat en begint glooiend, maar wordt steeds steiler en steiler tot ik de lage gearing maar inschakel, anders kom ik niet meer omhoog! In het begin zijn de heuvels vooral bedekt met een lappendeken van onwaarschijnlijk verticale theeplantages (en andere gewassen), maar zodra ik de toegangspoort van het park door ben verandert dat acuut en zie ik alleen nog maar oerwoud; onvervalste oerwoud. De poort kom ik overigens eenvoudigweg door, door te melden dat ik onderweg ben naar Kabale, waarna ik alleen nog even moet registreren in het grote boek. De weg slingert (soms in onwaarschijnlijk scherpe dubbele S-bochten) door dit oerwoud heen als een slang. Aan de ene kant een muur van rotsbodem van soms wel een meter of 5 hoog, met daarboven een muur van groen, en aan de andere kant een steeds dieper wordende steile afgrond die soms onzichtbaar is door de dichte jungle. Soms is er een doorkijkje, met name in de buitenbochten, en word ik getrakteerd op adembenemende uitzichten over het ondoordringbare Impenetrable Forest. Regelmatig (lees: bijna elke bocht) stop ik voor wat foto’s en bij één gelegenheid krijg ik bij het uitstappen een regen van bladeren over me heen door weg vluchtende franjeapen. Hoewel ik de rest van de rit geen wild te zien krijg hoor ik wel regelmatig aapachtige geluiden en hoor en zie soms iets verplaatsen door het dichte bladerdek. Maar ook zonder het dierenleven staat mijn mond bijna de gehele rit open van verwondering over het prachtige natuurschoon.

De weg wordt door sommigen omschreven als uitdagend of zelfs onbegaanbaar, maar dat zal ongetwijfeld te maken hebben met het seizoen en hoe recent men er onderhoud aan gepleegd heeft, want zoals gezegd heb ik de weg zonder enige twijfel als makkelijk ervaren. Maar wel erg steil: ik begon op ca. 1000 meter en op het hoogste punt ben ik op ruim 2700 meter! Daarna gaat de weg weer langzaam omlaag.

Onderweg kom ik nog een groep Britse vogelaars tegen met hun Kenyaanse begeleiders. Ik stop even om met ze mee te kijken en even te kletsen. Er is verder erg weinig verkeer op de weg en als ik een mooi en breed stukje weg vind om mijn lunch te verorberen komt er de hele tijd geen mens langs. Zalig! Naast de rust en de schitterende uitzichten is ook het weer hier heerlijk: net warm genoeg en met een zacht, koel briesje. Wederom: zalig!

Aan alle mooie liedjes komt een eind, en zo ook aan de rit door het oerwoud. Ik moet bij de poort wel even wachten tot de bewaker de heuvel af gerend is. Nadat ik me opnieuw geregistreerd heb mag ik weer doorrijden. Meteen verandert het landschap weer naar het schaakbordpatroon van akkertjes, en overal zijn weer mensen actief op en langs de weg. Maar dat levert ook prachtige plaatjes op!

Om een uur of 14 rijd ik Kabale in, een middelgrote stad. Ik vind al gauw wat kleine supermarkten en doe wat inkopen voor de komende dagen. Veel bruikbaars (zoals groente en eetbaar brood) is echter niet te krijgen; ook niet buiten de supermarkten. Daarna rijd ik naar het Bunyoni Overland Resort, dat aan (hoe kan het ook anders) het Bunyoni meer ligt. Rondom dit prachtige meer (volgens sommigen zelfs het mooiste meer in Uganda) liggen veel hotels en resorts, dus zonder GPS zou het even zoeken zijn, maar gelukkig is daar opnieuw iOverlander, die me feilloze coördinaten levert. Nu we toch op dat onderwerp zijn: er is me onlangs op gewezen dat ik me in mijn verslagen overwegend negatief uitlaat over iOverlander. Daar schrok ik van, want de waarheid is dat ik het een nagenoeg onmisbare en geweldige dienst vind, waar ik dan ook heel graag aan meewerk. Ik laat zelf van alle overnachtingsplaatsen een recensie achter en heb ook al heel wat overnachtingsplaatsen toegevoegd. Zo, dat is bij deze even rechtgezet. 🙂

Het Overland Resort is behoorlijk groot en nadat ik me bij poort 1 heb geregistreerd moet ik naar poort 2 rijden voor een kampeerplek. Achter het hek ligt een steile helling die uitmond in een klein maar strak gazonnetje op een smal schiereilandje in het meer. Ik mag mijn auto op het gras neerzetten, maar omdat het zo steil loopt valt het niet mee om een vlak stukje te vinden. De mannen van het kamp wijzen me gelukkig op een vlak plekje en dat blijkt te kloppen. Ik ben de enige gast, maar men verzekert me dat er vanavond andere gasten verwacht worden. Ik zet voor het eerst in weken de bustent weer eens op en installeer me. Terwijl ik een eenvoudig potje spaghetti kook arriveert een bekende huurauto. Het zijn Rozemarij en Lei, de 2 avontuurlijke Nederlanders die ik in Fort Portal ontmoet heb. Ik eet mijn prakje terwijl zij zich installeren, waar we de avond samen al kletsend doorbrengen. Zij zijn dan wel niet een jaar onderweg, maar hebben al enorm veel van de wereld gezien en zitten vol mooie verhalen.

Dag 167: Het ontbijt gebruiken we gezamenlijk na een heerlijk rustige nacht. Er is hier overal aan gedacht. De douches zijn tamelijk schoon, hebben haakjes en het water is heerlijk warm. De tuintjes zijn smetteloos goed onderhouden. Overal zijn terrasjes en uitkijkpunten aangebracht om te chillen. Overal staan lampen en de palmen en het riet langs het water geven veel beschutting en schaduw. Er is een steiger met een lage duikplank en zelfs een duikplank op een meter of 5 hoog! Ook verhuren ze kano’s en een jetski. Van de kano’s gaan we vandaag gebruik maken. Om een uur of 10 lopen we er naartoe en kiezen de 2 best uitziende boomstamkano’s uit. Dat ze niet geheel waterdicht zijn blijkt uit de vele stalen plaatjes die her en der aan de binnenkant zijn aangebracht ter reparatie. Sommige bootjes zien er uit als een lappendeken! Even later zijn we op weg. In de reisgids las ik al over wat men hier de ‘mzungu corkscrew’ noemt en daar blijken wij ook last van te hebben. De bootjes hebben namelijk de neiging om plotseling een bepaalde richting op te draaien, waardoor je soms spontaan een rondje om je eigen as maakt. Met wat oefening leer je daar wel wat aan te doen, maar vanaf de kant zal het ongetwijfeld een grappig gezicht zijn!

Lei en Rozemarij gaan met z’n tweeën harder dan ik, dus na een tijdje verlies ik ze uit het oog en ga mijn eigen weg. Bij een eiland blijf ik even in het riet hangen om wat te lunchen: een soort kiploempia die ik gisteren in Kabale gekocht heb. Daarna vaar ik om het eiland heen en weer terug naar het resort. Het was een heerlijk tochtje. Geheel in Ugandese stijl werd ik zelfs op het water door iedereen vriendelijk begroet en één man stelde voor dat als ik wat harder zou peddelen (hij was zelf ook in boomstamkano; die dingen worden hier nog volop gebruikt!) we samen op zouden kunnen varen. Ik bedank hem vriendelijk maar zeg hem het juist rustig aan te willen doen. Om een uur of 14 ben ik weer terug.

De rest van de middag werk ik aan mijn verslag en doe wat klusjes. Hoewel het gisteravond en vannacht geregend heeft is het nu al de hele dag schitterend weer. Van alle kanten van het meer hoor je geluiden: een school, getimmer, wegverkeer, motorbootjes, stemmen, vogels, etc. De vogels komen soms erg dicht bij. Een wevervogel is zelfs mijn auto ingevlogen en daar even rustig blijven zitten! Ook zat er een ijsvogel op nog geen 2 meter afstand op een doorgebogen rietstengel te poseren voor een foto, waar ik hem hartelijk voor bedankt heb.

Om een uur of 16:30 komt een medewerker bij mij informeren of ik misschien weet waar Lei en Rozemarij gebleven zijn. Ik moet ze het antwoord schuldig blijven, maar ik begin me ook een beetje zorgen te maken. Pas rond 17:30 komen ze eindelijk aan varen. Ze wilden al een lange tocht maken, maar hebben ook nog eens een verkeerde afslag genomen! (Het meer heeft een erg grillige vorm met veel eilandjes)

Rond dezelfde tijd begeef ik me naar de bar om gebruik te maken van wifi, wat helaas heeeeeeel erg traag is. Tijdens het wachten bestel ik een avondmaal, dat redelijk smaakt. Na het eten klets ik nog een tijd met Lei en Rozemarij. Als ik mijn auto in kruip om te gaan slapen en mijn telefoon in de usb-naar-12V-stekker steek lijkt aanvankelijk alles in orde, maar al gauw begin ik een scherpe brandlucht te ruiken. Uiteraard ben ik direct in opperste staat van paraatheid en na een minuutje heb ik de oorzaak gevonden: de usb-naar-12V-stekker is gaan smelten! Ik gebruik dat ding al de hele reis en heb nooit problemen gehad. Ik moet de portieren openen en een hele tijd wapperen met de slaapzak om de vreselijke stank een beetje uit de auto te krijgen.

Dag 168. Het heeft vannacht weer geregend, en het was gisteravond al zo koud dat ik mijn slaapzak maar weer voor de dag heb gehaald. Vanmorgen duurt het lang tot het een beetje opwarmt. Het zal wel iets te maken hebben met het feit dat we op een paar meter van het water zitten, dat we ons op 2000 m hoogte bevinden en dat de zon wat tijd nodig heeft om over de bergkam heen te klimmen.

Het is weer een klusdag, en dat betekent in dit geval de was doen, de koelkast van zijn plek halen en van binnen en buiten schoonmaken, de auto verder uitstoffen, het gebruikelijke ritueel van het vastplakken van klittenband en nog veel meer. De roosters van de koelkast zijn – zoals verwacht natuurlijk – vreselijk stoffig. Met blazen krijg ik het er nauwelijks uit, dus haal ik mijn compressor voor de dag en probeer het daar mee. Dat gaat nog heel aardig, maar het legt wel een zware last op mijn toch al uitputtende accu’s. Het spreekt inmiddels voor zich dat er weer verschrikkelijk veel stof uit de auto komt bij het uitstoffen. Ik laat een stel slippers aan Rozemarij en Lei zien die bedekt zijn met een dikke laag stof en hun mond valt open van verbazing.

Tegen het einde van de middag geef ik Lei een rondleiding bij de auto, neem een douche en ga naar het restaurant voor het diner. Het idee is om tijdens het wachten op het eten gebruik te maken van wifi, maar blijkbaar ben ik bepaald niet de enige op het netwerk, want het is onwerkbaar traag. De vegetarische groenteschotel smaakt alsof het gefrituurd is waardoor alle gezonde voedingsstoffen er vakkundig uit gehaald zijn.

Dag 169. Deze ochtend gaan Rozemarij en Lei er weer vandoor. Over een paar dagen gaan ze gorilla’s kijken en ze willen er natuurlijk op tijd zijn. We nemen afscheid om een uur of 9. Ik ga weer aan de slag. Eerst maak ik het bestuurdersgedeelte van de auto goed schoon, doe nog een wasje, en achterhaal de oorzaak van de doorgebrande usb-naar-12V-stekker. Het blijkt dat door de trillingen van de auto 2 draadjes open zijn komen te liggen, waardoor ze kortsluiting maakten. Ook ontdek ik – bij toeval – dat het nylon touw dat ik gebruikt heb om de dakpijp mee vast te maken aan het roofrack blijkbaar onder invloed van warmte en/of zonlicht uiteen begint te vallen. Op veel plekken is het touw al verpulverd of valt uiteen zodra ik het aanraak. Weer wat geleerd! Voorlopig zitten de touwen nog op genoeg plekken vast en om ze te beschermen tegen verder verval plak ik er duct tape overheen. Dat laatste gebruik ik in grote hoeveelheden ook om een hoop gaten in de binnenwanden af te dichten in een (waarschijnlijk ijdele) poging het stof een beetje buiten te houden.

Na de lunch gebeurt precies datgene waar ik vanmorgen nog over grapte tegen Lei en Rozemarij: er komt een grote overlandtruck aan rijden vol met luidruchtige toeristen die direct beginnen om hun tenten op te zetten rondom mijn auto. Gelukkig valt de overlast wel mee. Als diner maak ik een klassiek Nederlands gerecht (dat ik overigens gek genoeg thuis nog nooit gemaakt heb!): hutspot, met wat worstjes erbij.

Dag 170. Om een uur of 6 word ik gewekt door de stemmen van mijn nieuwe buren. Ik hoor ook dat ze tenten aan het afbreken zijn en een klein half uurtje later hoor ik de truck starten en wegrijden. En ja hoor, wanneer ik mijn auto uit kruip sta ik weer alleen. Niet dat het veel uitmaakt, want ik ga er zelf ook vandoor. Alles is weer drijfnat, dus ik ben blij dat ik de bustent gistermiddag al afgebroken heb, want het droogt niet snel op hier.

Ik ben weer op weg! Vandaag gaat het dan toch eindelijk gebeuren: ik ga Uganda verlaten. Meer dan een maand heb ik hier rond gereden en ontzettend veel beleefd en gezien, maar het is nu echt tijd om te gaan. Rwanda roept! Er is een grensovergang niet ver van waar ik de laatste dagen gestaan heb, maar daar ga ik niet naartoe, want ik wil naar het Kivu meer, en dan kan ik beter de grensovergang bij Cyanika nemen. Dat betekent tevens dat ik langs de noordkant van het Bunyoni meer moet rijden. Dat pad begint als een prima, brede stofweg, maar wordt naarmate de weg stijgt en meer kronkelt steeds slechter en smaller. Er zitten een aantal hele uitdagende stukken bij en regelmatig zit ik knarsetandend achter het stuur wanneer ik weer een stenige helling moet nemen. Iedere keer als ik zo’n stuk achter de rug heb geef ik het dashboard een dankbaar klopje en herhaal ‘Oh, wat ben ik blij met jou!’ Vaak rijd ik op slechts decimeters afstand van een verticale afgrond die tientallen meters lager eindigt in het meer. De moeite wordt wel beloond, want de uitzichten over het meer zijn adembenemend mooi. Desalniettemin slaak ik toch even een opgeluchte kreet als ik in de verte de asfaltweg zie liggen. De kanarie heeft het hem weer geflikt!

De smetteloze asfaltweg volg ik tot Kisoro, een redelijk grote plaats. Daar geef ik mijn laatste Ugandese shillings uit aan diesel. Vlak voor de stad rijd ik de afslag richting de grens voorbij; dat ziet er niet uit! Na het tanken besluit ik dus om een andere weg te pakken. Die begint weer aardig goed, maar blijft dat niet… Na een kilometer of 10 kom ik op de weg uit die ik initieel had willen nemen, maar dat blijkt ineens strak asfalt te zijn! Enkele kilometers verderop ligt de grens. Zoals gebruikelijk staat er bijna niets aangegeven, dus zet ik mijn auto maar ergens neer. Ik word meteen aangesproken door een man die geld wil wisselen. Dat sla ik af, maar ik moet er even later op terug komen. Ik ga in de rij staan bij Immigration, maar verschillende mensen wijzen me er op dat ik aan de andere kant van de weg moet zijn. Daar vind ik echter alleen de douane, maar goed, daar moet ik ook zijn, dus ga ik naar binnen. Na 2 lege zalen door te zijn gelopen kom ik in zaal 3, waar achterin een tweetal bureaus staan. Ik geef mijn carnet af en men vraagt mij om mijn betaalbewijs van de wegenbelasting. Wegenbelasting? Daar heeft men mij bij binnenkomst in Uganda niets over gezegd. Ik heb er later wel over gelezen, dus helemaal verrassend is dit nieuws niet. Gelukkig kan ik het hier ook betalen, maar alleen in shillings, en daar ben ik nu net doorheen! Dus loop ik maar weer naar buiten, naar de geldwisselaar. Ik wissel dollars om naar shillings en betaal de douane, de me direct mijn ingevulde carnet en het betalingsbewijs afgeeft. De douanier had me desgevraagd vertelt dat ik voor immigratie toch echt moest zijn waar ik net ook al stond, maar de geldwisselaar blijft volhouden dat ik gewoon de grens over moet en mijn exit-stempel krijg bij hetzelfde loket als waar ik mijn entree-stempel voor Rwanda krijg. Eigenwijs als ik ben ga ik toch naar Immigration, maar daar blijkt de geldwisselaar toch echt gelijk te hebben. Ook geeft hij aan dat ik nog naar de politie moet voor een gateticket. Ik bedank hem door het restant shillings bij hem te wisselen voor Rwandese francs. De politieman schrijft wat in een registerboek en overhandigt me een papiersnipper met wat krabbels er op, maakt een grapje dat ik niet goed versta, maar waarop ik maar hartelijk lach en hij wenst een voorspoedige reis.

Gewapend met paspoort, carnet en het papiersnippertje rijd ik naar de slagboom. Ik overhandig het papiersnippertje en desgevraagd mijn paspoort en nadat ik opnieuw ben opgenomen in een registerboek gaat het hek voor me open. Bij de Rwandese kant zet ik de auto voor de slagboom en loop naar de politieagent toe. Na de begroetingen zegt hij: ‘You need to go back.’ Verbijsterd antwoord ik: ‘Why?!’ Zijn antwoord: ‘No worries, you need to back up a little for the gate.’ Opgelucht rijd ik een stukje naar achteren, waarna hij de poort opent en ik naar binnen rijd.

Opnieuw zet ik de auto ergens neer en loop naar het loket van de douane, dat hier wel goed aangegeven staat. Een man voor me wuift dat ik er langs mag en een andere man geeft bij de beambte aan dat hij mij eerst mag helpen. Kijk aan, goed begin, Rwanda! Het carnet is in minder dan een minuut klaar. Het loket voor immigratie is er vlak naast. Ervoor staan 2 Canadese backpackers die mijn East Africa Visa zien en er nieuwsgierig naar vragen, omdat hun dat visum geweigerd was bij een landsgrens van Uganda. De stempels voor Uganda en Rwanda krijg ik – zoals de geldwisselaar al zei – in één moeite door. Even verderop staat een bord ‘Police’. Ik loop er naar binnen om te informeren of ik nog niets bij hem moet regelen, maar in het hokje zitten 2 mannen die niets met de politie te maken hebben. Ik besluit er verder geen tijd in te steken en maar gewoon verder te rijden.

De weg is van asfalt maar van erg slechte kwaliteit. Het straatbeeld is erg vergelijkbaar met Kenya en Uganda, hoewel de mensen hier veel meer op de weg lopen dan in Kenya en veel minder vriendelijk over komen. Ik stop in een naburig plaatsje om te pinnen en wordt meteen belaagd. Nare herinneringen aan Ethiopië schieten door me heen, maar ze geven het gelukkig wel veel sneller op dan daar. Na het pinnen zoek ik een winkeltje waar ik een simkaartje kan kopen, maar niemand spreekt Engels. Dat is weer even wennen! Net als het rechts rijden overigens. Dat voelt na ruim 2 maanden links rijden ineens heel onnatuurlijk, maar het inhalen is er wel een stuk makkelijker op geworden.

Na een kleine 100 km kom ik aan bij Gisenye, een middelgrote plaats aan de kust van het Kivu meer, dat de grens vormt met Congo (DRC). Ik rijd naar het Paradis Malahide Cottages and Campsite, naar het schijnt de beste optie in de buurt. Helaas lijkt Rwanda niet erg toegerust op overlanders, want zoals ik al in iOverlander las kan ik hier (en op veel plaatsen in dit land) alleen op de parkeerplaats overnachten. En die staat in dit geval ook nog eens erg vol. Gelukkig kan ik mijn auto een half uurtje later op een iets betere plek zetten. Voor een lodge ziet het er wel erg goed uit. Een mooie jungle-achtige receptie, goed onderhouden tuinen met uitzicht over het meer en leuke hutjes. De ‘campsite’ bestaat uit slechts enkele vierkante meters gras.

Volgens een medewerker kan ik hier vlakbij wel een simkaartje krijgen, dus loop ik de poort uit en vind al gauw het stalletje waar hij op doelde. De dame spreekt maar een paar woorden Engels, maar begrijpt wat ik bedoel en gaat aan de slag. Ik moet mijn paspoort laten zien, want ze heeft de gegevens nodig om via haar telefoon de sim kaart te registeren. Dat lukt echter keer op keer niet, en zoals dat vaak gaat in Afrika bemoeit in korte tijd de hele buurt zich er mee. Helaas lukt het niemand en ze moet me teleurstellen. Ik probeer het nog bij 2 andere stalletjes, maar zonder succes.

De internetsnelheid bij Paradis is fantastisch, dus ik maak gebruik van deze kans om een wagonlading filmpjes en foto’s te uploaden. Om een uur of 17 bestel ik een pizza bij het restaurant. Het is in Rwanda een uur vroeger dan in Uganda, dus ik heb honger. De pizza smaakt erg goed.

4 gedachtes aan “Dag 166-170 (8-12 feb.): Peddelen in een boomstamkano op het Bunyonimeer, angstige bergpaadjes en Rwanda in

  1. J. Koopmans

    Ongelooflijk mooie ervaringen weer Bjorn! Ik heb daarvan weer mee kunnen genieten!
    Telkens als je denkt dat het niet mooier kan is dat wel zo. Geweldig!

    1. Bjorn Bericht auteur

      Fijn om te horen, Arjan!
      Nee, er zaten geen krokodillen in het Bunyoni meer. Anders had ik het nooit gedaan hoor!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *